De deal die Hormuz nog steeds regeert
De oorlog van 2026 is geen begin. Het is een late scène uit een oliestaatsorde die het Westen zelf heeft gebouwd.
12 sep. 2026 — 18 min leestijd
Deze blog is anders dan gebruikelijk.
Normaal schrijf ik over AI. Tokens, agents, veranderkracht. Gisteren nog over het panopticon: hoe de VS en China de toren bouwen, en Europa ogen heeft maar geen toren. Dat stuk zat al op de rand. Toezicht ná 11 september. Oorlog als motor van infrastructuur.
De VS-Iran-oorlog zit elke dag, met het nieuws, in mijn hoofd. Een hamster die Hormuz heet en daar maar rondjes blijft rennen. Ik geef hem in de vorm van deze blog even een plek. Hij rent daarna toch weer.
De kern van deze blog: Wat we nu de VS-Iran-oorlog noemen — en wat tegelijk de Straat van Hormuz én de Bab el-Mandeb raakt — is geen uitbarsting van middeleeuwse islam tegen een modern Westen. Het is de rekening van een systeem dat na 1945 olie, vorstenhuizen en selectieve prediking aan elkaar knoopte. Saoedi-Arabië mocht een strenge leer de wereld over sturen zolang de olie bleef stromen. Iran werd eerst een stroman en daarna een vijand. Jemen kreeg de predikers én de bommen. Europa krijgt de prijs. En de macht die die orde tachtig jaar overeind hield, is niet meer vanzelfsprekend.
Deze week namen de Houthis de havenstad Mokha in, en daarna Perim — het eiland midden in de Bab el-Mandeb, de nauwe doorgang van de Rode Zee naar de Indische Oceaan. Saoedi-Arabië zette een grote oliepijpleiding stil na drones uit Irak. De export naar Azië is in twee maanden ingestort. De Straat van Hormuz, waar een groot deel van de wereldolie doorheen moet, is al maanden geen vanzelfsprekende zeestraat meer.
Het journaal maakt daarvan een actueel conflict: ayatollahs, rebellen, Trump, Netanyahu, een kroonprins met weinig goede zetten.
Dat is wat je ziet.
Daaronder zit iets ouder. Wie alleen naar 2026 kijkt, ziet raketten. Wie verder terugkijkt, ziet hoe dit in elkaar is gezet.
Niet 1945. Eerder.
1945 is de wissel. Niet het begin.
Aan het einde van de negentiende eeuw is de islam nog een wereld van rijken, wetsscholen en heilige steden — geen verzameling landen met vlaggen en oliecontracten. Het Ottomaanse rijk is zwak, maar draagt nog de pretentie van een kalifaat: een politiek-religieus dak boven een groot deel van de soennitische wereld. Groot-Brittannië denkt in zeestraten. Suez. Aden. De Perzische Golf. De vloot vaart op kolen. Dan komt olie.
In 1908 komt bij Masjed Soleyman in Perzië — het huidige Iran — voor het eerst op industriële schaal aardolie omhoog. Kort daarna stapt de Britse marine over van kolen op olie. De Britse staat neemt een meerderheidsbelang in het bedrijf dat later BP wordt. Olie is vanaf dat moment geen handelswaar alleen. Zonder olie komt de vloot niet ver. Wie de put beheert, bepaalt hoe ver een rijk reikt.
De Eerste Wereldoorlog maakt een einde aan het oude Ottomaanse rijk. In 1916 verdelen Britten en Fransen in het Sykes-Picot-akkoord Arabische provincies met een liniaal. In 1924 schaft Atatürk in Turkije het kalifaat af. Voor miljoenen moslims is dat geen administratieve hervorming. Het is het wegvallen van een politiek dak.
Tegelijk groeit in het binnenland van Arabië iets anders.
Het verbond van zwaard en prediking
Het huis van Saoed is in de achttiende eeuw een lokale clan in Najd, het droge hart van het Arabisch Schiereiland. In 1744 sluit Mohammed ibn Saoed een verbond met de prediker Mohammed ibn Abd al-Wahhab.
De ruil is eenvoudig en hard.
De familie levert het zwaard: verovering, belastingen, een staat.
De prediker levert de leer: alleen God aanbidden, geen heiligen, geen graven als bedevaartsoord, geen soefi-rituelen, geen voorspraak van doden. Wat daarvan afwijkt heet shirk — afgoderij. Sjiieten vallen in die blik al snel onder verdenking. Andere soennieten ook, als ze te slap worden gevonden.
Dat verbond is drie keer tot een rijk uitgegroeid en twee keer door de Ottomanen of Egyptenaren stukgeslagen. De derde keer houdt het. In 1932 roept Abd al-Aziz ibn Saoed — Ibn Saoed — het koninkrijk Saoedi-Arabië uit. Hij heeft de heilige steden Mekka en Medina in handen. In 1938 vindt men olie bij Dammam, aan de Perzische Golf.
Vanaf dat moment liggen drie dingen bij elkaar: de heilige steden van de islam, een leer die andere islam als vervuiling ziet, en een brandstof zonder welke moderne vloten en fabrieken stilvallen.
Groot-Brittannië denkt die combinatie nog te kunnen sturen. Beschermverdragen in de Golf. Invloed in Iran. Suez. Het heeft het geld en de mankracht van voor 1914 niet meer. Dat blijkt pas later.
Quincy — en de dollar
In februari 1945, op de terugweg van de conferentie van Jalta, ontvangt de Amerikaanse president Franklin Roosevelt koning Ibn Saoed aan boord van de kruiser USS Quincy, in het Grote Bittermeer van het Suezkanaal. Er wordt geen lang, openbaar verdrag getekend. Wel een afspraak die tachtig jaar meegaat.
Amerika beveiligt het koninkrijk. Saoedi-Arabië levert olie.
Het Britse rijk is uitgeput. Amerika heeft de dollar, de industrie en straks de vliegdekschepen. Het Midden-Oosten is vanaf hier geen Ottomaanse erfenis meer. Het is een oliestation in een Amerikaanse wereldorde.
Die ontmoeting heeft geen einddatum. Het is geen contract van twintig of zestig jaar dat in 2005 of 2025 vanzelf afliep. Dat verhaal circuleert wel, het klopt niet. Het is een verhouding: bescherming tegen toegang tot olie. Die verhouding is daarna steeds opnieuw bevestigd, nooit netjes begraven.
De olie zelf wordt al langer in dollars afgerekend. Na de olieschok van 1973 wordt dat politiek vastgezet. In 1974 sluiten Washington en Riyad een samenwerkingsakkoord: economische banden, Amerikaanse wapens en steun, Saoedische olie-inkomsten die voor een groot deel in dollars en Amerikaanse staatsleningen terugvloeien. Formeel liep dat stuk vijf jaar, met verlenging. In de praktijk werd het de ruggengraat van de petrodollar: wie olie wil, heeft dollars nodig. Die vraag houdt de Amerikaanse munt overeind.
De families — het huis van Saoed, de sjah van Iran, de sjeiks van de Golf — krijgen geen democratie als voorwaarde. Zij krijgen erkenning, wapens en bescherming. In ruil blijft de tanker varen en blijft het communisme buiten.
Washington praat over vrije volken. In de Golf praat het over concessies.
Van dat moment tot nu loopt één zin door: wie de put bewaakt, mag binnen zijn grenzen bijna alles, zolang de olie vertrekt.
De sjah was er al. Mossadegh ook.
De Pahlavi’s zitten al op de troon vóór de nationalisatie.
Reza Sjah grijpt in 1925 de macht en probeert Iran tot een moderne staat te slaan, naar Turks voorbeeld. In 1941 zetten Britten en Sovjets hem af. Ze vrezen dat hij naar Duitsland neigt en ze hebben de landroute naar de Sovjet-Unie nodig. Zijn zoon Mohammad Reza Pahlavi wordt sjah. Hij is dan 21. Hij blijft dat tot 1979.
In de vroege jaren vijftig is hij nog geen alleenheerser. Er is een parlement. Er zijn partijen. En er is Mohammad Mossadegh.
Mossadegh wordt in 1951 premier. Hij is geen heilige en geen westers democraat uit een schoolboek. Hij is wel gekozen, nationaal-populair, en hij doet iets dat Londen als diefstal ziet.
De Iraanse olie wordt al decennia gewonnen door de Anglo-Iranian Oil Company — het latere BP — onder een concessie uit de koloniale tijd. Het overgrote deel van de winst gaat naar Londen. Mossadegh nationaliseert de olie-industrie. De putten, de raffinaderij van Abadan, de export: Iraans bezit, onder Iraanse controle. Over schadevergoeding valt te praten. Over het principe niet.
Britten boycotten Iraanse olie. Tankers mijden Abadan. De staatskas droogt op. De sjah en Mossadegh vechten om de macht. In 1953 zetten de CIA en de Britse MI6 Mossadegh af — operatie Ajax. Officieel: voorkom dat Iran naar de Sovjets afglijdt. Feitelijk: herstel de oude olie-orde en maak van de sjah weer de man.
De sjah gaat niet terug op de troon. Hij zat er al. Wat verandert is zijn gewicht. Na 1953 wordt hij de alleenheerser die het Westen een betrouwbare pilaar noemt.
Wat volgt is bekend, en altijd maar half verteld.
Het Iran van de sjah krijgt universiteiten, industrie, stemrecht voor vrouwen, een groeiende middenklasse. Het krijgt ook SAVAK, de geheime politie. Foltering. Verboden partijen. Een hof dat Teheran inricht alsof het een ontvangstzaal van het Westen is. Voor een deel van de jeugd, voor links, voor de bazaar en voor de geestelijkheid voelt die modernisering als diefstal van waardigheid: rijkdom zonder zeggenschap, vooruitgang zonder stem.
In 1956 wordt de overgang van Brits naar Amerikaans zichtbaar. Nasser nationaliseert het Suezkanaal. Britten, Fransen en Israëli’s vallen Egypte binnen. President Eisenhower dwingt hen terug. Suez is voor Londen wat een dicht Hormuz nu voor Washington dreigt te worden: het moment waarop de oude bewaker van de zeestraat laat zien dat hij de regels niet meer alleen schrijft.
Nasser, olie en radio maken daarna een nieuwe taal: Arabisch, soeverein, tegen kolonialisme. Religie is daarin nog niet de hoofdrolspeler. Die komt later, wanneer de seculiere beloften — Nasser, de Ba’ath-partijen, de sjah — naar nederlaag en politie ruiken.
Teruggrijpen op religie is dan geen rare beweging. Het is wat mensen doen als de ambassade, het hof en het ontwikkelingsverhaal hun normen komen uitleggen, en diezelfde ambassade intussen de geheime politie dekt.
Het Westen heeft zijn moraal vaak als hoogste waarde opgelegd. Alleen niet aan de vrienden met olie. Dat is geen detail. Dat is brandstof.
1979: twee strenge islams tegelijk
In 1973, tijdens de Oktoberoorlog, zetten Arabische olieproducenten de kraan in als wapen. Europa ontdekt inflatie en files. Petrodollars stromen naar Riyad. Een deel gaat naar paleizen. Een deel naar moskeeën, schoolboeken, beurzen en predikers.
Hoeveel, precies, weet niemand tot op de dollar. De ordes van grootte zijn wel bekend. Onder koning Fahd, van 1982 tot 2005, ging volgens Amerikaanse schattingen meer dan 75 miljard dollar naar de verspreiding van de Saoedische islam — moskeeën, scholen, predikers, beurzen, schoolboeken. Andere tellingen, over een langere periode, komen uit tussen de 70 en 100 miljard. Per jaar ging het om miljarden, geen miljoenen.
Dat geld bouwde volgens eigen Saoedische opgaven in niet-islamitische landen alleen al zo’n 1.500 moskeeën, 210 islamitische centra, 200 hogescholen en 2.000 scholen. Duizenden predikers gingen de wereld over. De drukkerij in Medina zette tot 2000 al 138 miljoen korans klaar, vaak met wahhabitische uitleg erbij, van Afrika tot Indonesië tot Europese achterstandswijken. Gilles Kepel noemde het de eerste keer in veertien eeuwen dat dezelfde leer, in dezelfde boeken, van de ene kant van de moslimwereld naar de andere reisde.
Dat was geen liefdadigheid zonder gevolg. In Pakistan, Afghanistan, de Sahel, de Balkan en in Europese steden werd lokale, vaak soefistische of volksislam verdrongen door een drogere, anti-sjiitische variant, zonder heiligenverering. De bodem onder later jihadisme is deels hier gelegd. Niet elke moskee werd een trainingskamp. Wel werd de lat van wat “echte islam” heette, over een generatie verschoven.
Wahhabisme, tot dan een leer uit de woestijn, kreeg vliegtickets.
Dan 1979. Drie schokken in één jaar.
In Iran valt de sjah. De revolutie is een verbond: seculier links, nationalisten, de bazaar, de clerus. Ayatollah Khomeini wint niet omdat iedereen een islamitische republiek wil. Hij wint omdat hij organisatie heeft, de taal van het offer, en een vijand die iedereen herkent: Amerika en de sjah.
Daarna zuivert de clerus de rest weg. Links wordt gevangengezet of geëxecuteerd. Liberalen verdwijnen. De coalitiepartners die dachten de ayatollahs te kunnen gebruiken tegen de sjah, zijn de eersten die het veld ruimen. Dat is geen voetnoot. Het is een patroon. Wie religie als hefboom voor macht pakt, wordt er vaak zelf door opgegeten. Wie denkt: eerst samen, daarna wel zien, staat later op de tribune — of erger.
De islamitische republiek verklaart Amerika tot Grote Satan. Gijzeling van de Amerikaanse ambassade. Later Hezbollah in Libanon. Een netwerk van milities. Dat is geen middeleeuws restant. Het is een moderne staat die de jurist tot heerser maakt en de opstand tot exportartikel.
In Mekka bestormen nog strengere soennieten — vijanden van het hof zelf — de Grote Moskee. Het huis van Saoed schrikt zich rot. De les van het hof: thuis nog islamitischer lijken, buiten de leer hard de wereld in sturen, zodat de woede niet naar het paleis terugkomt.
In Afghanistan valt de Sovjet-Unie binnen. Washington, Riyad en Islamabad ontdekken de jihad als werktuig. Jongens met een Saoedisch schoolboek en een Amerikaanse Stinger heten vrijheidsstrijders. Eén van hen heet Osama bin Laden.
Vanaf hier lopen twee strenge islams naast elkaar.
De Khomeinistische: hiërarchie, milities, tegen het Westen, sjiitisch-revolutionair.
De wahhabitisch-salafistische: zuivering, tegen sjiieten, de wereld over gepreekt — later deels tegen de eigen geldschieters gekeerd.
Het Westen ziet vooral de eerste als vijand. De tweede is de bondgenoot met een lastig broertje.
Theologisch snijdt wahhabisme scherper: geen graven, geen heiligen, geen soefi-praktijk, sjiieten vaak verdacht. Iraans twaalver-sjiisme is rijker aan ritueel — Karbala, heiligdommen, een geestelijkheid — en politiek minstens zo dwingend. Het is niet de zachte kant. Het is een andere kant.
Wie zegt dat Saoedi-Arabië modern is en Iran middeleeuws, beschrijft het uitgaansleven in Riyad en vergeet de leer die decennialang is uitgevoerd. Wie omgekeerd zegt dat Iran authentiek verzet is, vergeet Beiroet 1983, de steun aan Assad, de milities en de gijzelaars.
Allebei zijn het moderne machtsprojecten. Allebei zijn ze door westerse afspraken gevoed.
Het ventiel
Na 1979 is de les van het hof: thuis rust, buiten stoom afblazen. De prediking mag reizen. De paleizen niet in brand.
In 1990 wordt die ruil zichtbaar voor de hele wereld. Irak, onder Saddam Hoessein, valt Koeweit binnen. De Saoedische familie is verdeeld en bang. Koning Fahd laat Amerikaanse troepen toe op het Arabische schiereiland — dicht bij Mekka en Medina. Dat redt het koninkrijk. Het splijt de prediking.
Voor het hof is de afspraak: geen chaos binnen de grenzen. De strenge energie mag blijven reizen. Predikers, beurzen, moskeeën, de Afghaanse jihad, later andere fronten.
Voor bin Laden is de ruil verraad: ongelovige soldaten als schild bij de heilige plaatsen.
Al-Qaida komt niet uit de lucht vallen. Het is het kind dat de vader niet meer gehoorzaamt. Dezelfde leer, zonder gehoorzaamheid aan de vorst.
Na aanslagen in het koninkrijk zelf pakt Riyad binnenlands hard in. De leer blijft reizen — naar Pakistan, Europa, de Sahel, naar jongens die nooit een prins zullen zien en wél zijn schoolboek.
Dat de Verenigde Staten dit decennia door de vingers zagen, is geen vergissing. Het was de prijs van de basis en de kraan.
Elf september — en wie de rekening niet kreeg
Op 11 september 2001 vliegen kapers het World Trade Center en het Pentagon in. Vijftien van de negentien zijn Saoedi’s. Bin Laden ook. De leer, het geld, de prediking: een groot deel van de bodem ligt in het koninkrijk dat Amerika beschermt.
Daarna heet het islamitisch extremisme, alsof het uit een grot kwam.
De ironie is openlijk. Afghanistan wordt aangevallen. Irak wordt aangevallen — een land waarvan de kapers niet kwamen, waarvan de olie niet de Quincy-olie was, en dat de vijand van Riyad én Teheran was. Saoedi-Arabië blijft partner. Geen invasie. Geen regimewisseling. Wel wapens, wel olie, wel later races en toernooien.
Irak heeft een sjiitische meerderheid en een soennitische heerserslaag. Amerika ontbindt het leger en de Ba’ath-partij. Het resultaat is een cadeau aan Teheran dat Teheran zelf nooit had kunnen kopen — en een soennitische woede die Fallujah krijgt, en later Mosul.
ISIS groeit uit Al-Qaida, en gaat verder. Strenger in takfir: nog meer moslims tot afvallige verklaren. Minder geduld. Geen langdurige ondergrondse strijd tot het moment rijp is, maar een kalifaat nú, met grond, belastingen en onthoofdingen. Graven worden opgeblazen. Riyad zelf wordt tot vijand verklaard. Weer hetzelfde patroon. Wie een leer voedt omdat hij haar denkt te kunnen sturen, wordt erdoor gebeten. Het hof had de prediking de wereld in gestuurd. De meest consequente leerlingen noemden het hof zelf afvallig.
In 2018 wordt journalist Jamal Khashoggi in het Saoedische consulaat in Istanbul vermoord en in stukken gehakt. Even is er schande. Westerse bedrijven pauzeren. Columnisten eisen een einde aan de omhelzing.
Het duurt niet lang. Formule 1 komt naar Jeddah. LIV Golf koopt sterren weg bij het Amerikaanse circuit. In 2023 haalt Al-Nassr Cristiano Ronaldo binnen; Neymar, Benzema en een stoet anderen volgen. Saoedische clubs pompen in drie jaar grofweg twee miljard dollar in transfers — salarissen die Europese clubs niet kunnen evenaren. Het WK van 2022 was in buurland Qatar. Het WK van 2034 is aan Riyad toegewezen. Het beeld is klaar: niet de consul. De tribune.
Olie was altijd al de reden om te zwijgen. Sport is de lach die erbij hoort.
Mohammed bin Salman maakt het leven in Riyad ruimer. Vrouwen mogen rijden. Concerten bestaan. De religieuze politie verdwijnt naar de achtergrond. Dat is echt. Het is ook van bovenaf, om het bewind te redden — niet omdat het hof de leer heeft begraven. Het Westen neemt het uitgaansleven als bewijs en stopt met de vraag waar de schoolboeken van 1985 zijn gebleven.
Iran krijgt de rol van permanente schurk omdat het tegen ons staat. Saoedi-Arabië krijgt de rol van lastige oom omdat het olie heeft. Dat is geen godsdienstles. Dat is rekenen.
Jemen: de leer komt thuis als oorlog
Jemen is arm, stamgebonden, regionaal verdeeld. In het noorden is zaydisme eeuwenlang de eigen islam — een sjiitische tak die in de praktijk dichter bij soennitische gebruiken lag dan bij het Iran van Qom. Geloofsstrijd was daar geen dagelijkse burgeroorlog.
Vanaf de jaren tachtig komt in Dammaj, midden in zayditisch gebied, een salafistisch instituut met Saoedisch geld. Prediking als politiek. De Believing Youth, later de Houthis, ontstaan als verzet: onze bergen, onze identiteit, niet jullie leer.
Dat verzet is historisch te volgen. Wat eruit komt, is geen zachte terugkeer.
In 2014 nemen de Houthis de hoofdstad Sanaa in. In 2015 begint Saoedi-Arabië een coalitieoorlog om de internationaal erkende regering weer aan de macht te brengen. Op de grond wint Riyad die oorlog niet. Jemen wordt een van de ergste humanitaire rampen van deze eeuw: tienduizenden doden door geweld, honderdduizenden als honger en ziekte worden meegeteld. In 2022 volgt een wapenstilstand. Mohammed bin Salman wil Vision 2030 verkopen, geen nieuwe doden tellen.
De Houthi-leus is intussen geen klassiek zaydisme meer. God is de grootste. Dood aan Amerika. Dood aan Israël. Vloek over de Joden. Overwinning voor de islam. Dat is de taal van Khomeini plus jodenhaat, op muren en in schoolboeken. Verzet tegen wahhabisme is bij hen geen verruiming. Het is de ene dwingende leer in plaats van de andere.
Iran levert wapens, training, nu ook sturing. De Houthis blijven tegelijk een Jemenitische macht met eigen honger: grond, erkenning, de zeestraat.
Drie harde projecten dus. Geen helden.
2026: twee flessenhalzen
Op 7 oktober 2023 valt Hamas Israël aan. De regio wordt opnieuw één veld. De Houthis schieten op schepen voor Gaza. Dan, op 28 februari 2026, vallen de Verenigde Staten en Israël Iran zelf aan.
De Straat van Hormuz — de nauwe doorgang tussen Iran en Oman, waar in gewone jaren een groot deel van de olie over zee doorheen gaat — wordt onveilig of feitelijk dichtgezet. Saoedische olie moet via de Rode Zee: de pijpleiding van oost naar west naar de haven Yanbu, daarna de Bab el-Mandeb. Precies daar zitten de Houthis.
In juli landt voor het eerst in bijna tien jaar een Iraans passagiersvliegtuig in Sanaa. Het haalt een Houthi-delegatie op voor de begrafenis van ayatollah Khamenei, gedood op de eerste dag van de Amerikaans-Israëlische aanval. Riyad ziet wat het jarenlang heeft willen voorkomen: een open luchtbrug tussen Teheran en de Houthi-hoofdstad, geschikt voor adviseurs en wapens. De startbaan van Sanaa wordt gebombardeerd. Het toestel wijkt uit naar Hodeidah. De Houthis noemen het een belegering, kondigen een blokkade af tegen Saoedische scheepvaart, en schieten terug.
In september vallen raketten op zuidelijke Saoedische steden. Mokha valt. Perim valt. Drones uit Irak raken de omweg zelf.
Riyad zit klem. Opnieuw de Jemen-oorlog ingaan werkt slecht — dat is tussen 2015 en 2022 gebleken. Niets doen laat een militie de tweede olieroute bepalen. Washington is overbelast en niet vanzelf bereid Jemen erbij te nemen.
In augustus 2026 tekenen Saoedi-Arabië, Turkije en Pakistan in Mekka dat een aanval op één een aanval op allen is. De taakverdeling is helder, ook zonder dat het zo op papier staat. Riyad levert het geld — een defensiebegroting van meer dan 65 miljard dollar per jaar — en koopt daarmee extra bescherming, omdat de Amerikaanse garantie niet meer vanzelfsprekend voelt. Turkije levert wapens, drones, een wapenindustrie. Pakistan levert massa: honderdduizenden militairen, en de enige islamitische kernmacht in de schaduw van de put.
Egypte zat in de voorbereidende club van vier, tekende niet mee, en aarzelt — onder meer vanwege het vredesverdrag met Israël. Als Caïro later aanschuift, is de inzet vooral mensen: een groot leger dat Riyad kan helpen betalen. Voorlopig blijft het drie. Geen herstel van Quincy. De klant zoekt zelf een slot op de deur, omdat de oude bewaker te druk is, te grillig, of te zeer met Israël vergroeid.
De wereldeconomie merkt intussen wat 1973 al liet zien. Olie is weer een wapen. Niet alleen een markt. Een Europese winter, een Aziatische fabriek, een inflatiecijfer: allemaal hangen ze aan dezelfde oliekraan.
Een overgang, geen schone wissel
Het Britse rijk verdween niet op één middag. Het verloor het vermogen om de regels alleen te schrijven. Suez was de scène waarin iedereen het zag. Daarna kwam een Amerikaanse orde: dollar, vloot, bases, oliestations, preken over vrijheid die bij de put verstommen.
Wat we nu zien, lijkt op zo’n tussentijd.
De Verenigde Staten kunnen nog steeds meer vliegtuigen, sancties en inlichtingen inzetten dan wie ook. Tegelijk lukt Washington het ene niet meer vanzelf: de zeeën openhouden zonder de hele streek in brand te zetten. Bondgenoten sluiten eigen afspraken. China koopt olie en tijd. Turkije speelt naar alle kanten. Golfstaten praten over wederzijdse verdediging zonder Amerika in de zaal.
Dat is geen bewezen einde van het Amerikaanse moment. Het is wel een moment waarop die voorrang wankelt. We zitten in een rommelige fase: de oude bewaker is er nog, de nieuwe orde is er niet, en twee zeestraten worden tegelijk dichtgezet.
Van de ene wereldmacht naar de andere gaat het zelden netjes. 1914 tot 1945 was de Britse nazomer en een slachtveld. Een Amerika dat moet delen — of dat merkt dat anderen niet meer vanzelf luisteren — betekent niet automatisch een Chinese eeuw, een islamitische eeuw, of een nette tafel met gelijke stoelen. Het betekent onzekerheid over wie de oliekraan nog garandeert.
Daarom is 2026 geen los schandaal van ayatollahs, of van Netanyahu, of van Mohammed bin Salman.
Het is een late scène uit hetzelfde stuk.
Wat dit perspectief wél doet — en wat niet
Het haalt het sprookje weg.
Het sprookje dat Saoedi-Arabië gewoon modern is en Iran gewoon extreem. Het sprookje dat de Houthis alleen slachtoffers van Riyad zijn. Het sprookje dat het Westen toekeek. Het sprookje dat 2026 uit het niets kwam.
Het spreekt Teheran, Sanaa en Riyad niet vrij.
Als het Westen morgen ophoudt met preken wat het zelf bij vrienden niet afdwingt, blijven de Houthi-leus, de Iraanse milities en het Mekka-verbond met een Pakistaanse bom bestaan. De families namen de deal. De ayatollahs namen de staat. De predikers namen het vliegtuiggeld. De schuld is gedeeld.
Europa zit in dit verhaal niet aan tafel. Het zit erin als lijdend voorwerp. Van olie. Van gas. Van een inflatiecijfer. Van een veiligheidsorde die het zelf niet kan garanderen. En van een moraal die het hardop uitspreekt en stilzwijgend laat vallen. Rusland speelt op de achtergrond mee. De Verenigde Staten vechten nog, en weten niet meer vanzelf hoe ze de zeestraten openhouden. De oliestaten zelf — Riyad voorop — kopen nieuwe beschermers, omdat de oude niet meer genoeg leveren.
De deal uit 1945, later vastgezet in dollars, hield een oliestaatsorde uit de twintigste eeuw overeind. Die orde wordt nu letterlijk en figuurlijk uit elkaar geschoten. Twee zeestraten tegelijk. Een pact zonder Washington. Een leer die decennia is geëxporteerd en terugkomt als raket.
Wat daarvoor in de plaats komt, is nog niet duidelijk. Evenmin is duidelijk wie de macht deelt: de oliestaten zelf, Amerika, China, Rusland op afstand. Duidelijk is voorlopig vooral wat er wegvalt.
Niet wie de goede is.
Wel dat de oliekraan niet meer vanzelf openstaat.
Co-creatie: Dit stuk is georkestreerd samen met Grok (xAI). De gedachten, posities en interpretaties zijn van mij. Grok heeft geholpen bij het structureren, feitelijk aanscherpen en schrijven.