Sociologische hoop in tijden van AI-doom

Deel

Wat door mensen is gemaakt, kan door mensen worden bijgestuurd. Een oude sociologische gedachte voor een nieuwe golf.


audio-thumbnail
Sociologische hoop podcast
0:00
/3554.3845

Is er iets persoonlijkers dan de beslissing om een einde aan je leven te maken? Het lijkt het meest eenzame besluit dat een mens kan nemen. Een kwestie van wanhoop, van karakter, van een verhaal dat alleen die ene persoon kent.

Eind negentiende eeuw besloot de Franse socioloog Émile Durkheim daar toch anders naar te kijken. Niet naar het individu, maar naar de cijfers. Hij verzamelde jarenlang gegevens over zelfdoding in verschillende Europese landen en regio's. In 1897 publiceerde hij zijn bevindingen in een boek met een korte titel: Le Suicide.

Wat hij vond, was opvallend. Als zelfdoding puur persoonlijk was, zou je verwachten dat de cijfers van jaar tot jaar willekeurig schommelen. Dat deden ze niet. Elk land had een eigen, vrij stabiel niveau, jaar na jaar. En de verschillen tussen groepen waren groot en hardnekkig. Protestanten lagen hoger dan katholieken. Ongetrouwden hoger dan getrouwden. En bij plotselinge economische schokken liepen de cijfers op. Volgens Durkheim niet alleen bij een crisis, maar ook bij snelle, onverwachte welvaart.

Zijn conclusie: achter elke afzonderlijke daad zit een persoonlijk verhaal. Maar het patroon van al die daden samen is iets anders. Dat patroon zegt iets over de samenleving. Over hoe sterk mensen verbonden zijn met een groep. En over hoe duidelijk de regels zijn waarmee ze leven.

Durkheim zag twee kanten waarop het kan misgaan. Te weinig houvast: als regels en verwachtingen wegvallen, of niet meer passen bij een snel veranderende werkelijkheid, raken mensen de weg kwijt. Hij noemde dat anomie, normloosheid. Maar ook te veel: als regels zo strak worden dat er geen ruimte meer is en de toekomst dichtzit.

Later is er kritiek gekomen op de kwaliteit van zijn cijfers. Toch bleef de kern overeind, en die kern is een van de belangrijkste ideeën uit de sociologie. Wat voelt als het meest persoonlijke, heeft ook een laag die niet persoonlijk is. Een laag van orde. Ruim zestig jaar later gaf de Amerikaanse socioloog C. Wright Mills dat inzicht een scherpe formulering: persoonlijke problemen zijn vaak ook publieke kwesties.

Dat geldt niet alleen voor de zwaarste dingen. Het geldt ook voor gewone gevoelens. De onrust op zondagavond voor een nieuwe werkweek. De opluchting als een nieuw hulpmiddel saai werk overneemt. De twijfel of je zelf nog kiest, of dat de opties al voor je zijn voorgesorteerd. Iedereen ervaart dat als iets van zichzelf. Maar als heel veel mensen tegelijk hetzelfde voelen, is het geen toeval meer. Dan is het een patroon. En dan loont het om te kijken naar de orde waarin ze leven.

Dit verhaal gaat over die orde. Over waar ze vandaan komt, hoe ze kan vastlopen, en waarom de AI-golf iets herhaalt wat we al eens hebben meegemaakt. AI doet een deel van wat de fabriek deed: werk in stukjes knippen, mensen en prestaties meetbaar maken, het tempo deels uit handen nemen. Alleen sneller, en op meer plekken tegelijk.

Over die golf gaan twee verhalen rond. Het ene belooft dat alles vanzelf beter wordt. Het andere, het doom-verhaal, voorspelt dat het ons overspoelt en dat niemand het meer kan tegenhouden. Hoe verschillend ze ook klinken, ze delen één aanname: dat AI iets is wat ons overkomt.

De sociologie vertelt een ander verhaal. Orde is gemaakt, door mensen. Dus kan ze ook door mensen worden bijgestuurd. Daar zit de hoop. Niet in de techniek zelf, maar in de vraag of de orde rond die techniek nog kan verschuiven, en of de mensen die erin leven daar nog invloed op hebben.

1. Toen de laatste uitleg wegviel

Stel je voor dat je in 1600 leeft. Je vraagt waarom er een koning is. Het antwoord is kort: omdat God het zo wil. De kerk zegt het, de koning zegt het, je ouders zeggen het. Waarom is de ene familie rijk en de andere arm? Omdat de wereld zo in elkaar zit. En de wereld komt van boven.

Je hoefde de samenleving niet te onderzoeken. Ze was er gewoon. Zoals het weer.

Er waren wel denkers die vroegen wat rechtvaardig is. Filosofen deden dat al sinds de Grieken. Maar zij vroegen vooral hoe de wereld zou moeten zijn. Niet hoe een stad, een dorp of een werkplaats mensen in de praktijk vormt.

Dan begint die uitleg te wankelen. Eerst in Engeland.

Op 30 januari 1649 wordt koning Karel I in Londen onthoofd, voor een menigte. Het land zit midden in een burgeroorlog. Een oorlog over macht, maar ook over geloof. Buren staan tegenover elkaar. De oude uitleg, dat de koning regeert omdat God het zo wil, houdt niemand meer bij elkaar.

Thomas Hobbes volgt het vanuit Parijs, waar hij in ballingschap zit. In 1651 publiceert hij een boek met de naam van een zeemonster: Leviathan. Zijn vraag is simpel en hard. Stel dat je alles weghaalt. Geen koning, geen wet, geen politie, geen afspraken. Wat blijft er dan over? Zijn antwoord: angst. Iedereen tegen iedereen. Daarom spreken mensen af om macht af te staan aan één groot gezag dat orde maakt.

Op de voorkant van het boek staat een beroemde prent. Een reusachtige vorst torent boven een landschap uit. Als je goed kijkt, zie je dat zijn lichaam is opgebouwd uit honderden kleine mensjes. Dat is de hele boodschap in één beeld. De staat is geen boom die God heeft geplant. De staat is gemaakt. Door mensen. Van mensen.

Anderhalve eeuw later gaat het in Frankrijk nog verder. In een paar jaar tijd verdwijnen de koning, de adel en de kerk als vanzelfsprekend dak. Kerkelijk bezit wordt staatsbezit. Er komt zelfs een nieuwe kalender, met nieuwe namen voor de maanden. En daarna moet iedereen 's ochtends toch weer opstaan en erop vertrouwen dat de bakker brood bakt en de rechter eerlijk oordeelt. Waar komt dat vertrouwen nu vandaan?

Tegelijk verandert iets anders, minder luidruchtig maar net zo diep. In Engeland verhuist het werk van huis en werkplaats naar de fabriek. Mensen trekken van het platteland naar de stad. Families die eeuwenlang hetzelfde ambacht hadden, staan ineens aan een machine.

Twee breuken tegelijk, dus. Eén in de politiek, één in het werk. En samen roepen ze dezelfde vraag op: als de oude uitleg weg is, wat houdt een samenleving dan nog bij elkaar?

Uit die vraag ontstaat de sociologie. De Fransman Auguste Comte geeft haar in 1838 haar naam. Hij plakt daarvoor twee woorden aan elkaar: het Latijnse socius, metgezel of bondgenoot, en het Griekse logos, woord of leer. Sociologie is dus letterlijk de leer van het samenleven. Taalpuristen vonden het een vreemde mengeling van twee talen. Maar het woord bleef, en het zegt precies waar het om gaat: niet de mens apart, maar wat er tussen mensen in zit.

Comte wil de samenleving bestuderen zoals natuurkundigen de natuur bestuderen: systematisch, met aandacht voor verbanden. Zijn basisidee is de rode draad van dit hele verhaal:

Een samenleving is gemaakt. Dus je kunt haar onderzoeken. Dus had ze ook anders kunnen zijn.

Dat klinkt vanzelfsprekend. Maar het is een krachtige gedachte. Als orde gemaakt is, dan kun je vragen wie haar maakt. Wie er beter van wordt. En wat er gebeurt als ze niet meer werkt.

Zestig jaar later zou Durkheim met zijn cijfers laten zien hoe ver die gedachte reikt.

2. Is dit wel wetenschap?

Die vraag kreeg de sociologie vanaf het begin over zich heen. Ironisch genoeg legde Comte zelf de lat. Hij wilde een sociale natuurkunde, met wetten zo vast als die van de zwaartekracht. Aan die lat wordt de sociologie sindsdien gemeten, en vaak te licht bevonden. Onder natuurkundigen gaat een oude grap rond: alle wetenschap is natuurkunde, de rest is postzegels verzamelen.

Maar die lat past niet bij het onderwerp. Een steen weet niet dat hij valt. Mensen weten wel dat ze bestudeerd worden, en ze reageren erop. De Amerikaanse socioloog Robert Merton gaf in 1948 het voorbeeld van een gezonde bank die omvalt omdat het gerucht gaat dat hij wankelt. Iedereen haalt zijn geld weg, en het gerucht maakt zichzelf waar. De Britse socioloog Anthony Giddens wees erop dat sociologische begrippen terugsijpelen in de wereld die ze beschrijven. Woorden als rolpatroon, morele paniek en zichzelf waarmakende voorspelling waren ooit vaktermen.

Dat is geen gebrek aan precisie. Het is een eigenschap van het onderwerp. En het is precies wat algoritmes nu op grote schaal doen: een score die mensen beïnvloedt, en die invloed bepaalt weer de volgende score.

Ook de harde wetenschappen zijn trouwens minder hard dan hun imago. Ook daar kantelen paradigma's, en ook daar blijven spraakmakende resultaten bij herhaling niet altijd overeind. Dat maakt ze niet minder waardevol. Het laat alleen zien dat hard en zacht gradaties zijn, geen rangorde.

Wat sociologie biedt, is iets anders: een lens. Max Weber werkte met ideaaltypen. Geen wetten, maar scherp getekende modellen om de werkelijkheid mee te vergelijken. Mills noemde het de sociologische verbeelding: het vermogen om persoonlijke problemen te zien als onderdeel van publieke kwesties. De drie assen hieronder zijn zo'n lens. Ze voorspellen niet wat er gaat gebeuren. Ze helpen zien wat er gebeurt.

Anders is niet minder.

3. Drie assen: een kaart om mee te kijken

Sociologen hebben in tweehonderd jaar honderden theorieën bedacht. Dat klinkt overweldigend. Maar veel ervan draaien om dezelfde drie vragen. Je kunt die vragen zien als drie assen op een kaart. Niet om iemand te beoordelen. Om te zien waar je kijkt.

Eerste as: structuur of keuze

Word ik gemaakt, of maak ik?

Aan de ene kant staat structuur. Dat is alles wat er al was voordat jij binnenkwam. De taal die je spreekt. De huur die je moet betalen. Het rooster van je werk. De wijk waarin je opgroeide. De software die bepaalt welk bed vrij is.

Aan de andere kant staat keuze. Dat is wat je binnen die orde nog zelf doet. De verpleegkundige die vier minuten langer bij een bange patiënt blijft. De jongste aan de vergadertafel die de vraag stelt die niemand durfde.

De grootste fout is er maar één te zien. Wie zegt "mensen moeten gewoon harder hun best doen", ziet alleen keuze. Wie zegt "het systeem heeft het gedaan", ziet alleen structuur. Giddens liet zien dat het allebei tegelijk waar is. Structuur bestaat alleen omdat mensen haar elke dag opnieuw uitvoeren. En elke keer dat ze dat doen, kunnen ze een klein beetje afwijken.

Denk aan taal. Jij hebt het Nederlands niet uitgevonden. Het was er al, met al zijn regels. Toch buig je het in elke zin een beetje. Een nieuw woord, een grap, een eigen uitdrukking. Zo verandert taal. Niet door een besluit, maar door miljoenen kleine afwijkingen.

Tweede as: samenhang of strijd

Delen we dit, of legt iemand het op?

Aan de ene kant staat samenhang. Een groep blijft bij elkaar omdat mensen dezelfde regels herkennen en dezelfde verhalen geloven. "Wij zijn een team." "Wij zijn een gezin." Durkheim, de man van het onderzoek naar zelfdoding, keek vooral naar die kant.

Aan de andere kant staat strijd. Een groep blijft bij elkaar omdat sommigen de regels maken en anderen ze moeten accepteren. En de stilte die daarna valt, heet dan vrede. Karl Marx keek vooral naar die kant.

Een paar vragen maken het verschil voelbaar. Wie krijgt het laatste vrije bed? Wiens overwerk heet toewijding, en wiens overwerk heet slechte planning? Wie maakt de dienstroosters, en wie krijgt ze toegestuurd?

Ook hier is het zelden het een of het ander. Aan één keukentafel kan "wij zijn een hecht gezin" waar zijn, en tegelijk een stille ruzie over wie altijd kookt.

Derde as: groot of klein

Kijk ik naar het geheel, of naar het gebaar?

Aan de ene kant staat het grote. De staat, de markt, de wereldeconomie, het AI-model dat ergens in een datacenter in een ander land is getraind.

Aan de andere kant staat het kleine. Een begroeting. De toon waarop een collega de dienst overdraagt. De halve seconde dat je twijfelt voordat je op "verzenden" drukt.

Wie alleen naar het grote kijkt, mist wat er in het kleine gebaar gebeurt. Wie alleen naar het kleine kijkt, mist het geheel eromheen. En vaak zit het grote gewoon in het kleine. Kijk maar wie er eerst mag spreken in een vergadering. Of wie zich verontschuldigt voor de ruimte die hij inneemt.

Drie assen dus: structuur of keuze, samenhang of strijd, groot of klein. Elke samenleving, organisatie of systeem heeft een plek op die kaart. Ergens tussen de polen, zelden helemaal aan één kant.

4. De vierde vraag: kan de positie nog verschuiven?

Nu wordt het interessant. Want de kaart zegt nog niets over goed of fout. Een plek op de kaart is geen oordeel.

Een ziekenhuis heeft veel structuur, schaarste en landelijk beleid. Het leunt dus op structuur, strijd en groot. Toch is een ziekenhuis geen nachtmerrie. Omgekeerd is de andere kant niet vanzelf fijn. Een dorp waarin iedereen alles deelt, kan je verstikken. En "keuze" kan een wrange grap zijn. "Je had toch ook kunnen vertrekken?" Ja. Maar de huur moet morgen betaald worden.

Bovendien verschilt de goede plek per situatie. Bij een brand wil je structuur: een duidelijk plan, één commandant, geen discussie. Bij het bedenken van iets nieuws wil je juist ruimte voor keuze. Een gezonde orde staat dus niet op één vaste plek. Ze kan schuiven als de omstandigheden veranderen.

Wat maakt een orde dan wel onleefbaar? Niet haar positie op de kaart. Wel het moment waarop die positie niet meer kan verschuiven. Als de balans tussen structuur en keuze, samenhang en strijd, groot en klein vastzit, en niemand er nog iets aan kan veranderen. Geen persoon, geen protest, geen ander verhaal.

Dat heet hier bevriezen.

Bevriezen is geen complot. Er zit geen groep mensen in een achterkamer die op maandag besluit dat alles vast moet. Bevriezen ontstaat uit drie heel gewone neigingen.

De eerste: een structuur wil stabiel blijven. Dat is ook haar werk. Een brug die elke dag van vorm verandert, is geen brug.

De tweede: een strijd wil eindigen met een winnaar. En als die winnaar daarna zegt "zo is het nu eenmaal", lijkt de uitkomst ineens natuurlijk. Alsof het nooit een strijd was.

De derde: een groot systeem wil morgen weer hetzelfde kunnen doen. Dus het meet wat het daarvoor nodig heeft. En wat het niet meet, bestaat voor dat systeem niet.

Elk van die drie is op zichzelf onschuldig. Maar als ze samenvallen, wordt de ruimte om te verschuiven klein.

Dan treedt een herkenbaar patroon op. Een ziekenhuis wil minder infecties. Dus gaat het infecties meten. Goed idee. Maar al snel wordt het getal belangrijker dan het doel. Afdelingen gaan sturen op het cijfer. Het cijfer verbetert. Maar is de patiënt er ook beter van geworden? Soms wel. Soms wordt er vooral anders geregistreerd.

De Britse econoom Charles Goodhart beschreef dat mechanisme in de jaren zeventig. Het staat sindsdien bekend als de wet van Goodhart. De antropoloog Marilyn Strathern vatte het later het scherpst samen: zodra een meetgetal een doel wordt, is het geen goed meetgetal meer. Iedereen die ooit op kengetallen is afgerekend, herkent het.

Al veel eerder had de Duitse socioloog Max Weber de grote versie gezien. Hij zag hoe de moderne wereld steeds rationeler werd. Alles berekend, alles volgens regels, alles efficiënt. Hij noemde het resultaat een stalen omhulsel. In het Engels werd dat later de iron cage: de ijzeren kooi. Een systeem dat uitstekend kan rekenen, maar vergeten is waarom het ooit begon te rekenen.

Dat is bevriezen ten voeten uit. Het getal klopt, maar het doel is uit beeld geraakt. En er is niemand meer die dat kan zeggen op een manier die gevolgen heeft.

Bevriezen is een neiging, geen natuurwet. Je kunt er iets tegen doen. Maar het ontdooit niet vanzelf.

Dat is de vierde vraag, en de belangrijkste van dit verhaal. Niet: waar staat deze orde op de kaart? Maar: kan haar positie nog verschuiven, en hebben de mensen die erin leven daar nog invloed op?

5. De fabriek als blauwdruk

Om te begrijpen wat er nu met AI gebeurt, moeten we eerst terug naar de fabriek. Want daar is het patroon ontstaan.

In 1776 beschrijft de Schotse econoom Adam Smith een speldenfabriek. Vroeger maakte één ambachtsman een hele speld, van begin tot eind. In de fabriek is dat anders. De een trekt de draad. De ander knipt hem af. Een derde slijpt de punt. Een vierde zet de kop erop. Zo gaat het door, in achttien stappen. Het resultaat is verbluffend. Tien arbeiders maken samen tienduizenden spelden per dag. Ieder voor zich hadden ze er misschien twintig gemaakt.

Smith was enthousiast. Maar hij zag ook de keerzijde. Wie de hele dag maar één handeling herhaalt, schreef hij, raakt het vermogen kwijt om breder na te denken. Het werk wordt smaller. En de mens wordt met het werk mee smaller.

Bijna zeventig jaar later pakt Karl Marx die gedachte op. Hij noemt het vervreemding, en hij ziet vier dingen tegelijk misgaan. Je bezit niet wat je maakt. Je bepaalt niet hoe je werkt. Het werk ontwikkelt je niet, het put je uit. En je collega wordt je concurrent. Voor Marx was dat geen theorie. Het was een beschrijving van een gewone donderdag in een fabriek.

Durkheim keek naar dezelfde arbeidsdeling en zag er ook iets goeds in. Juist omdat iedereen ander werk doet, worden mensen van elkaar afhankelijk. De bakker heeft de boer nodig, de boer de smid. Dat schept een nieuw soort samenhang. Maar ook Durkheim waarschuwde. Als die arbeidsdeling losraakt van regels en betekenis, valt de samenhang uit elkaar.

Dan komt de man met de stopwatch.

Frederick Taylor is ingenieur bij een staalbedrijf in Amerika, eind negentiende eeuw. Hij staat naast arbeiders die blokken ruwijzer op wagons laden. Hij meet elke beweging. Hoe lang het bukken duurt. Hoe lang het tillen. Hoe lang het lopen. Hoe lang de pauze. Dan schrijft hij voor hoe het moet. Welke beweging, in welke volgorde, met welke rustmomenten. Volgens zijn eigen verslag laadde een arbeider daarna bijna vier keer zoveel per dag.

In 1911 schrijft Taylor zijn methode op in een boek. De kern is eenvoudig. Het denken gaat naar het kantoor. Het doen blijft op de vloer. De arbeider bepaalt niet meer zelf hoe snel hij werkt. De planner bepaalt dat.

Twee jaar later zet Henry Ford in zijn autofabriek de band in beweging. Nu hoeft niemand meer te zeggen hoe snel je moet werken. De band doet het. Het tempo zit voortaan in de machine.

En de fabriek doet nog iets. Ze maakt mensen telbaar. Er komen prikklokken, roosters, stukloon, personeelsdossiers. Overheden leren hetzelfde. Ze gaan hun bevolking bijhouden zoals een fabriek haar voorraad bijhoudt. Geboorte, gezondheid, inkomen, afwijking. Je leven wordt een bestand. En het bestand krijgt steeds meer te zeggen over je leven.

Kort samengevat deed de fabriek drie dingen. Ze knipte werk op in kleine stukjes. Ze maakte mensen meetbaar. En ze legde het tempo buiten de mens. Onthoud die drie. Ze komen terug.

6. Waar de nachtmerries vandaan komen

Rond 1920 begint een Russische scheepsbouwer een roman te schrijven. Hij heet Jevgeni Zamjatin. Tijdens de Eerste Wereldoorlog heeft hij in Engeland op scheepswerven gewerkt, en de moderne fabriek van dichtbij gezien.

Zijn boek heet Wij. Het speelt zich af in een glazen stad waarin iedereen een nummer heeft in plaats van een naam. Iedereen staat tegelijk op, eet tegelijk en werkt tegelijk, volgens een officiële tijdtabel. En de man die als grote held uit het verleden wordt vereerd? Dat is Taylor.

Ruim tien jaar later schrijft de Brit Aldous Huxley Brave New World. Mensen worden gekweekt aan een lopende band, ingedeeld in vaste klassen en tevreden gehouden met pillen en vermaak. De jaartelling begint bij Ford. In plaats van "God" zeggen mensen "Ford".

In de film Metropolis van Fritz Lang uit 1927 lopen arbeiders in rijen naar een enorme machine, die hen vervolgens bijna letterlijk opslokt.

Zie je het patroon? Die schrijvers hoefden niets te verzinnen. Ze namen de fabriek, en dachten haar door tot het einde. Wat als de hele samenleving een fabriek wordt? Wat als er geen achterdeur meer is, geen thuis, geen ander verhaal?

Op de kaart van de drie assen staat zo'n wereld helemaal aan één kant. Structuur, niet keuze. Strijd die zich voordoet als samenhang. Het grote dat het kleine opslokt. En, het allerbelangrijkste: er is geen correctie meer mogelijk. De wereld is bevroren.

7. Marx: dezelfde kaart, maar in beweging

Bij Marx ligt het ingewikkelder. Hij stond op dezelfde plek op de kaart. Alleen vertelde hij er een bevrijdingsverhaal bij.

Marx keek naar de fabriek en zei: dit is geen natuur. Dit is een verhouding tussen mensen. Iemand bezit de machine. Iemand anders verkoopt zijn tijd. En iemand houdt de winst. Dat is niet door God zo bepaald. Het is zo ingericht. Dus kan het ook anders worden ingericht.

Zijn blik leunde sterk op structuur: de economie bepaalt veel van hoe we leven. Op strijd: tussen de mensen die bezitten en de mensen die werken. En op groot: je begrijpt een arbeider pas als je het hele systeem ziet waarin hij werkt.

Maar het belangrijkste in zijn verhaal is beweging. Voor Marx was geen enkele orde blijvend. De feodale orde van heren en horigen had plaatsgemaakt voor de orde van fabriekseigenaren en arbeiders. En ook die orde zou niet eeuwig duren. Elke orde draagt spanningen in zich die haar uiteindelijk openbreken. Strijd was voor Marx geen teken dat het misging. Het was de motor die de geschiedenis in beweging hield.

Op de kaart betekent dat: dezelfde positie als de fabriek, met één groot verschil. Marx ging ervan uit dat die positie kon verschuiven. Sterker nog, dat ze zou verschuiven. De mensen die de rijkdom maken, konden de orde doorbreken en een nieuwe, rechtvaardiger orde inrichten.

Dat was geen reden tot wanhoop. Het was een reden tot hoop.

Toch zat er in die hoop een zwakke plek. Marx beschreef niet alleen beweging, maar ook een eindpunt: een klasseloze samenleving waarin de strijd ophoudt. En hij voorzag een overgangsfase waarin de arbeiders de macht zouden grijpen en vasthouden tot dat eindpunt bereikt was. Wie zeker weet waar de geschiedenis heen gaat, kan elke afwijking gaan zien als een obstakel op weg naar de bestemming.

8. Wat er van die belofte terechtkwam

In de twintigste eeuw werd de belofte van Marx niet langer alleen opgeschreven. Ze werd uitgevoerd, op de schaal van hele landen. Eerst in Rusland, later in China en elders.

Lenin voegde er al vroeg iets aan toe: een voorhoedepartij. Een kleine, gedisciplineerde groep die namens de arbeiders zou handelen, omdat de arbeiders zelf het grotere plaatje niet zouden zien.

In de Sovjet-Unie werd die partij de nieuwe structuur. Strijd was nog toegestaan, maar alleen tegen de vijand. Nooit tegen de partij zelf. En het grote oog werd het Plan: vijfjarenplannen met quota voor elke fabriek, elke mijn, elke boerderij.

In 1935 haalt de mijnwerker Aleksej Stachanov in één dienst vele malen zijn normale hoeveelheid kolen boven. Hij wordt een nationale held. Er komt een hele beweging die naar hem is genoemd. Overal moeten arbeiders zijn voorbeeld volgen. Het getal wordt het verhaal. Wie het tempo niet haalt, valt op. En wie kritiek heeft op het plan, loopt al snel het risico als saboteur te worden gezien.

In China gebeurt eind jaren vijftig iets wat bevriezen pijnlijk duidelijk maakt. Mao Zedong lanceert de Grote Sprong Voorwaarts. China moet in hoog tempo de grote industrielanden inhalen, te beginnen met Groot-Brittannië. Elk dorp krijgt hoge doelen voor graan en staal.

Lokale bestuurders weten dat een laag cijfer gevaarlijk is. Wie weinig oogst meldt, laat zien dat hij niet genoeg in de revolutie gelooft. Dus melden ze hoge cijfers. Soms worden er zelfs proefvelden ingericht waar gewassen uit andere velden dicht op elkaar worden gezet, om bezoekers een recordoogst te laten zien.

De staat haalt vervolgens graan op. Op basis van de gemelde cijfers. Niet op basis van wat er echt op het land stond. Er blijft te weinig over voor de mensen die het verbouwden. Wat volgt, is een van de dodelijkste hongersnoden uit de geschiedenis.

Het systeem kon niet horen dat het misging. Want elk signaal dat het misging, werd vertaald als: niet genoeg inzet. Of: sabotage. Het getal had het laatste woord, ook toen het getal allang niet meer klopte.

En wie profiteerde er van de nieuwe orde? Op papier de arbeiders en de boeren. In de praktijk ontstond er een nieuwe bovenlaag. Partijkader en bestuurders kregen toegang tot eigen winkels, betere woningen, buitenhuizen, auto's en reizen. Aan de top stond de leider, wiens woord de lijn bepaalde. De kapitalist was verdwenen. Zijn plek was ingenomen.

Een van de scherpste beschrijvingen kwam van binnenuit. Milovan Djilas was een van de hoogste leiders van communistisch Joegoslavië. In 1957 verscheen in het buitenland zijn boek De nieuwe klasse. Zijn stelling: de partijbureaucratie was zelf een heersende klasse geworden. Ze bezat de fabrieken en het land niet op papier, maar beschikte er wel over. Djilas zat op dat moment al gevangen vanwege eerdere kritiek, en kreeg voor dit boek een extra straf.

George Orwell had hetzelfde patroon al in 1945 in een fabel gegoten. In Animal Farm verdrijven de dieren de boer, om daarna te zien hoe de varkens zijn plaats innemen. Het gebod dat alle dieren gelijk zijn, krijgt ongemerkt een toevoeging: sommige dieren zijn gelijker dan andere.

Was dat simpelweg misbruik van een goed idee door machtsbeluste leiders? Voor een deel wel. Maar de sociologie ziet er ook iets structureels in. De socioloog Robert Michels onderzocht al in 1911 socialistische partijen, juist de partijen die gelijkheid predikten. Hij zag dat ook daar een kleine leiding ontstond die zichzelf in stand hield. Hij noemde het de ijzeren wet van de oligarchie: elke grote organisatie neigt ernaar dat een kleine groep de macht naar zich toe trekt. Niet omdat die mensen per se slechter zijn, maar omdat organisatie, informatie en controle zich ophopen bij wie al aan de top staat.

Hier zie je waarom de vierde vraag zo belangrijk is. Het verhaal van Marx ging juist over een orde die kon verschuiven. In de praktijk schoof de orde één keer, en bevroor daarna opnieuw. Nu met een nieuwe groep aan de goede kant van de verhouding. Het verschil met de belofte zat niet in de plek op de kaart. Het zat in de vraag of die plek nog kon verschuiven, en of er nog iemand iets kon terugzeggen dat gevolgen had.

9. 1984: het beeld dat bleef hangen

In 1946 schrijft Orwell een bespreking van Wij, het boek van Zamjatin. Drie jaar later verschijnt zijn eigen roman: 1984.

Orwell had in de Spaanse Burgeroorlog van dichtbij gezien hoe de communisten van Stalin met andersdenkenden omgingen. Zijn boek trekt de lijn door. Hoofdpersoon Winston Smith werkt bij het Ministerie van Waarheid. Zijn werk: oude krantenartikelen herschrijven, zodat ze kloppen met wat de partij vandaag zegt. Kwam een voorspelling niet uit, dan wordt de voorspelling achteraf aangepast. Het archief bepaalt wat er gebeurd is.

Big Brother is structuur zonder uitgang. De partij is strijd die zichzelf vrede noemt. Het individu is zo klein dat zelfs zijn herinneringen niet meer van hem zijn.

En dan is er Nieuwspraak, de taal die de partij ontwikkelt. Bij elke nieuwe versie verdwijnen er woorden. Het idee erachter: als het woord voor iets verdwijnt, wordt het steeds moeilijker om het te denken. Dat is bevriezen tot in de taal.

1984 is het beeld waarin alle drie de assen op slot zitten en de vierde vraag met nee is beantwoord. Daarom halen we het boek er steeds weer bij, telkens als een systeem te veel lijkt te weten en te weinig lijkt te luisteren.

10. De AI-golf: de fabriek komt terug

Nu het heden.

Wat er nu gebeurt met AI is geen kopie van de fabriek. Maar het is wel dezelfde vorm, met nieuwe meubels. Dat is op zichzelf geen oordeel. De fabriek bracht ook welvaart, betaalbare spullen en uiteindelijk kortere werkweken. Het gaat om het patroon. Denk terug aan de drie dingen die de fabriek deed: opknippen, meten en het tempo buiten de mens leggen. Ze komen alle drie terug.

Opknippen. Een brief schrijven, een klant te woord staan, een dossier beoordelen, een stuk software bouwen. Dat werk wordt nu in stukjes geknipt. Sommige stukjes doet een AI-model. Andere stukjes blijven over voor mensen. Vaak zijn dat de stukjes die het model nog niet kan, of die nodig zijn om het model goed te laten lijken.

Ergens in de wereld zitten mensen de hele dag plaatjes te labelen. Dit is een kat. Dit is een stoplicht. Dit is een gewelddadige video. Dat werk zie je niet. Op de voorkant staat: het model doet het zelf. Maar de les van de speldenfabriek geldt nog steeds. Kijk wie het tempo bepaalt. En wie de ruwe randjes opvangt.

Meten. De fabriek mat hoeveel spelden je maakte. AI-systemen meten veel meer. Waar je op klikt. Hoe lang je twijfelt. Welke route je rijdt. Hoe je klinkt aan de telefoon. Hoe groot de kans is dat je je abonnement opzegt. Hoe groot de kans is dat je een "risico" bent.

Dat wordt een score. En een score voelt als iets van jou. Alsof het een eigenschap is, zoals je lengte. Maar dat is het niet. Een score is een samenvatting van het gedrag van duizenden anderen die op jou leken, met een rekenregel erover die iemand heeft gekozen.

Een sollicitant krijgt zo'n score soms al van een algoritme, voordat een mens de brief leest. Vaak zonder te weten waarop.

Tempo buiten de mens. De fabriek had een fluit en een lopende band. Nu is het een app. Een systeem dat 's nachts de planning bijwerkt. Een ranglijst die bepaalt wie gezien wordt. Een formule die op dinsdag het tarief verandert.

Onderzoekers noemen dit algoritmisch management: leidinggeven via software. De Amerikaanse juriste Veena Dubal liet zien hoe platforms zo per persoon en per moment het loon kunnen bijstellen, zonder dat iemand weet waarom. Het is Taylor, maar zonder stopwatch en zonder klembord. De planner is een rekenregel geworden.

Een planningssysteem in de zorg rekent met doorlooptijden. Vier minuten extra bij een bange patiënt passen daar niet vanzelf in.

Er is nog een parallel, en die gaat terug naar Marx. Ook deze golf komt met een bevrijdingsbelofte. AI zou ons bevrijden van saai en repetitief werk. Iedereen krijgt toegang tot kennis die vroeger was voorbehouden aan dure specialisten. De productiviteit stijgt, en er komt tijd vrij voor wat er echt toe doet.

Die belofte is niet nieuw. In 1930 voorspelde de econoom John Maynard Keynes dat zijn kleinkinderen dankzij de techniek misschien nog maar vijftien uur per week zouden hoeven werken. De productiviteit steeg daarna inderdaad enorm. De vijftienurige werkweek kwam er niet.

De belofte is ook niet onwaar. Een deel ervan wordt nu al waargemaakt. Maar de geschiedenis van de belofte van Marx leert dat een bevrijdingsverhaal twee vragen oproept. De eerste: verschuift de orde echt, of alleen de bovenlaag? De tweede is de vraag van Michels: wie staat er na de verschuiving aan de goede kant van de verhouding?

Bij AI is dat geen abstracte vraag. Het bouwen van de krachtigste modellen vraagt enorme hoeveelheden rekenkracht, data en kapitaal. Dat ligt nu bij een klein aantal bedrijven. Dat zegt nog niet hoe het afloopt. Het zegt wel waar je moet kijken. Niet alleen naar wat de techniek belooft, maar naar wie straks de score bezit, het tempo zet en de opbrengst houdt. Het zijn precies de vragen die Marx bij de fabriek stelde.

11. Wat er nu anders is: snelheid

Als het dezelfde vorm is, waarom zou je je dan zorgen maken? We hebben de fabriek toch ook overleefd?

Dat klopt. Maar dat kostte tijd. De industriële revolutie duurde generaties. Tussen de eerste fabrieken en de eerste arbeidswetten zaten tientallen jaren. In die tijd groeiden er tegenkrachten. Vakbonden. Arbeidswetten. Leerplicht. Een verbod op kinderarbeid. De achturige werkdag. Mensen hadden de tijd om de nieuwe orde te zien, er woorden voor te vinden en zich te organiseren.

En de fabriek was zichtbaar. Een lopende band hoor je. Een prikklok zie je hangen. Je weet wie de baas is, want hij loopt rond.

AI verspreidt zich in jaren, soms in maanden. Het hoefde de weg ook niet eerst aan te leggen. De telefoons waren er al. De gegevens waren er al. De netwerken waren er al. Het kon meteen overal tegelijk binnenkomen. Niet alleen op de werkvloer, maar ook in de sollicitatie, de uitkering, de schoolcijfers, de nieuwsfeed en de verzekering.

En nog iets is anders. De fabriek knipte draad en staal op. AI knipt betekenis op. Teksten, gesprekken, beoordelingen, gezichten. Het werkt precies op de dingen waarmee mensen zich normaal verweren: woorden, verhalen, oordelen.

Dat betekent minder tijd om tegenkrachten te bouwen. Minder tijd voor nieuwe woorden, nieuwe vakbonden en nieuwe regels, voordat het systeem al de norm is. Durkheim zou hier van anomie spreken: de regels lopen achter op de werkelijkheid.

12. Recursive self-improvement: de lus die op gang komt

Er is nog één verschil, en dat is misschien het belangrijkste: systemen die leren van hun eigen gevolgen. Er zijn drie van zulke lussen. Twee draaien al. De derde, en grootste, komt op gang.

De eerste lus: het systeem beïnvloedt wat het meet. Een app voorspelt welke filmpjes iemand leuk vindt. Dus laat de app die filmpjes zien. De kijker kijkt ze, want ze staan er. De app ziet dat hij kijkt en concludeert: goed voorspeld. De voorspelling stuurt het gedrag dat ze voorspelt. Het is de zichzelf waarmakende voorspelling die Merton in 1948 bij de bankrun beschreef, nu in software. Informatici spreken van performatieve voorspelling: de meting maakt mede de wereld die ze zegt te meten.

De tweede lus: het systeem leert van zichzelf. Steeds meer teksten en beelden op internet zijn door AI gemaakt. Nieuwe modellen worden getraind op wat er op internet staat. Dus leren ze deels van hun eigen voorgangers. Onderzoekers lieten in 2024 zien wat er gebeurt als dat steeds opnieuw gebeurt: het ongewone verdwijnt het eerst. De randjes slijten af. Alles gaat een beetje meer op het gemiddelde lijken. Dat is geen systeem dat zichzelf slimmer maakt. Het is een systeem dat zichzelf smaller maakt.

De derde lus: recursive self-improvement. In de AI-wereld is dit nu de term waar veel om draait: recursive self-improvement, vaak afgekort tot RSI. In het Nederlands: recursieve zelfverbetering. Het idee is eenvoudig. Een AI-systeem helpt de volgende versie van zichzelf te bouwen. Die volgende versie is beter, en helpt daardoor nog beter mee aan de versie daarna. Elke ronde maakt de volgende ronde sneller. Hier verandert niet alleen het gedrag van het systeem, maar het systeem zelf.

Het idee is oud. De Britse wiskundige I.J. Good schreef er in 1965 al over: een machine die slim genoeg is om een nog slimmere machine te ontwerpen. Hij noemde het een intelligentie-explosie. Lange tijd was dat toekomstmuziek. In 2026 is het een van de meest besproken onderwerpen in de AI-wereld. Op ICLR, een van de belangrijkste AI-conferenties, was er dit jaar een aparte workshop over. OpenAI schreef in februari 2026 bij een nieuw model dat eerdere versies van dat model hadden meegeholpen aan de eigen ontwikkeling. Anthropic publiceerde in juni over de eigen voortgang in die richting. Tegelijk zeggen beide bedrijven dat volledig zelfstandige zelfverbetering er nog niet is. Mensen zitten nog in de lus. De vraag is hoe lang nog, en in welke rol.

Daar hoort ook een kanttekening bij. De bedrijven die RSI aankondigen, hebben er zelf belang bij dat het dichtbij lijkt. Wat vaststaat, zijn de twee kleinere lussen. De derde is een richting: ze komt op gang, maar draait nog niet zelfstandig.

Een fabriek bevriest door gewoonte: mensen doen het al jaren zo. Een systeem dat leert van zijn eigen gevolgen, kan sneller bevriezen, omdat de lus in het ontwerp zit. De lussen die al draaien, maken de drie neigingen tot bevriezen nu al sterker. Als de grote lus echt op gang komt, vermenigvuldigt ze die neiging.

Structuur wordt harder. Want de regels passen zich sneller aan dan een vergadering, een ondernemingsraad of een parlement kan bijhouden.

Strijd wordt onzichtbaarder. Want de winnaar is geen baas met een naam en een gezicht. Het is een rekenregel die "neutraal" wordt genoemd.

En het grote dringt overal door. Want elk klein gebaar, een klik, een zin, een sollicitatiebrief, is meteen weer invoer voor het grote systeem.

Is dit dan ons lot? Nee. Het is een neiging. Maar op dit moment schuift de positie op de kaart duidelijk één kant op: naar meer structuur, meer strijd en meer groot. Niet omdat iemand dat zo heeft besloten. Maar omdat de systemen die nu het hardst groeien, gebouwd zijn om te meten, te rangschikken en zichzelf op die rangschikking te verbeteren.

13. Een Nederlands verhaal, in twee richtingen

Bevriezen is geen gedachte-experiment. Nederland weet hoe het eruitziet.

Bij de toeslagenaffaire werden duizenden ouders door de Belastingdienst als fraudeur behandeld. Een kleine fout in een formulier kon betekenen dat de hele kinderopvangtoeslag terug moest. Soms ging het om bedragen waar gezinnen jarenlang onder gebukt gingen. Ouders die bezwaar maakten, liepen vast. Hun bezwaar werd vaak gelezen als bevestiging van het vermoeden. Later stelde de Autoriteit Persoonsgegevens vast dat ook de nationaliteit van aanvragers een rol speelde in de risicoselectie.

In december 2020 gaf een parlementaire commissie haar rapport de titel Ongekend onrecht. Een maand later trad het kabinet af.

Leg het naast de kaart. Structuur: een regel zonder ruimte voor uitzonderingen. Strijd: een overheid tegenover individuele ouders. Groot: een systeem dat duizenden dossiers tegelijk beoordeelde. En de vierde vraag: kon die positie nog verschuiven? Jarenlang niet. Want bezwaar werd vertaald als fraude.

Maar er is ook een ander Nederlands verhaal.

In februari 2020 deed de rechtbank in Den Haag uitspraak in een zaak over SyRI. Dat was een overheidssysteem dat gegevens van burgers aan elkaar koppelde om fraude op te sporen, vooral in bepaalde wijken. Maatschappelijke organisaties, een vakbond en burgers waren naar de rechter gestapt. De rechter oordeelde dat het systeem te ondoorzichtig was en in strijd met het recht op privéleven. SyRI moest stoppen.

Dat is correctie. Een systeem dat werd stilgezet, omdat er een plek was waar iemand kon zeggen: dit klopt niet. En waar dat gevolgen had.

14. Dezelfde blauwdruk, een grotere race

Tijd om de lijnen samen te trekken. De belangrijkste vergelijking in dit verhaal is die met de fabriek. En die houdt goed stand.

De industriële revolutie was in de kern een technologische revolutie. De stoommachine, de spinmachine, later elektriciteit en de lopende band. De fabriek was het gevolg. Maar de harde kanten van de fabriek kwamen niet uit de machine. Kinderarbeid, werkdagen van twaalf uur en langer, een loon waar je nauwelijks van kon leven: dat kwam uit de manier waarop de machine werd ingezet. In een kapitalisme dat draaide op zoveel mogelijk productie tegen zo laag mogelijke kosten. Dat waren menselijke keuzes.

En omdat het menselijke keuzes waren, konden ze ook worden bijgestuurd. Dat gebeurde langs verschillende wegen tegelijk. Er waren ondernemers die het anders wilden, zoals Jacques van Marken, die bij zijn gistfabriek in Delft een park met woningen voor zijn arbeiders liet bouwen. Er was politieke druk van socialisten en vakbonden, die streden voor de achturige werkdag en het recht om zich te organiseren. Er waren liberalen, die met het Kinderwetje van Van Houten in 1874 een eerste grens trokken aan kinderarbeid in fabrieken. En er was druk vanuit het geloof. Paus Leo XIII schreef in 1891 de encycliek Rerum Novarum over de rechten van arbeiders. In hetzelfde jaar sprak Abraham Kuyper op het eerste Christelijk Sociaal Congres over de sociale kwestie.

Het communisme was het antwoord dat de hele orde in één keer wilde omverwerpen. Zoals we zagen, bevroor dat antwoord zelf. Wat wel werkte, was rommeliger. Geen revolutie, maar correctie op correctie. Arbeidswetten, cao's, sociale zekerheid, uiteindelijk een verzorgingsstaat. Niet perfect, maar de positie op de kaart kon weer verschuiven.

Dat is de blauwdruk waar we nu naar kunnen kijken. Een nieuwe technologie, een nieuwe orde, en harde kanten die niet uit de techniek zelf komen, maar uit hoe die techniek wordt ingezet. En dus de vraag welke krachten haar kunnen bijsturen.

Alleen is er één groot verschil. Bij de fabriek was de motor het kapitalisme. Bij AI is de motor groter: een race.

Grote AI-bedrijven noemen allemaal hetzelfde einddoel: een algemene kunstmatige intelligentie, een systeem dat op vrijwel elk terrein minstens zo goed is als een mens. In het vakjargon heet dat AGI. Investeerders steken er honderden miljarden in, in datacenters, chips en energie, en verwachten daar iets voor terug. En landen zien de race als een kwestie van macht en veiligheid, met de Verenigde Staten en China als hoofdrolspelers. Donald Trump vatte het in september 2026 samen in vier woorden: whoever wins AI, wins. Vrij vertaald: wie AI wint, wint alles. Kort daarna liet hij weten dat hij het voortaan SI noemt: superintelligentie.

De redenen om mee te doen verschillen. Omdat we het goede willen. Omdat we de macht willen. Omdat we geld willen. Omdat we de wereld willen redden. Omdat we de wereld willen hebben. Maar al die redenen wijzen dezelfde kant op: doorgaan, en sneller.

Daarom is de race meer dan kapitalisme. Geld is één motor. Geopolitieke macht is een tweede. De overtuiging dat je de wereld moet redden voordat een ander het verkeerd doet, is een derde. En de prijs is groter dan bij de fabriek. Bij de fabriek ging het om marktaandeel. Bij dat einddoel gaat het, in de ogen van de spelers, om alles.

Marx zag het mechanisme van zo'n race al bij de fabriek. Een fabriekseigenaar was volgens hem niet vrij om het rustiger aan te doen. Deed hij dat wel, dan haalde de concurrent hem in. De concurrentie dwong hem, van buitenaf, om mee te gaan. In de taal van de eerste as: structuur boven keuze, ook voor wie bovenaan staat.

In de AI-race werkt het net zo, alleen sterker. Een bedrijf dat alleen afremt, verliest zijn positie aan een bedrijf dat dat niet doet. Een land dat alleen afremt, ziet een ander land voorgaan. Ook spelers die zeggen dat ze liever voorzichtiger zouden zijn, voelen die druk. Niet één partij duwt, maar de race zelf.

En er is een echo van het eindpunt van Marx. Wie zeker weet waar de geschiedenis heen gaat, kan elke afwijking gaan zien als een obstakel. Een race met een duidelijke finish heeft dezelfde neiging. Elke rem voelt dan als achterstand.

Er is geen partijstaat, geen grote leider die alles bepaalt. Er zijn veel spelers, en er zijn rechters en toezichthouders die kunnen ingrijpen, zoals SyRI liet zien. Maar veel spelers in één race leveren nog geen correctie op. Ze rennen allemaal dezelfde kant op.

Dat maakt de race tot een vreemde vorm van bevriezen. Alles beweegt, en steeds sneller. Alleen de richting ligt vast. Op de kaart verschuift de positie wel, maar alleen naar meer structuur, meer strijd en meer groot. De vierde vraag krijgt daarmee een extra laag. Niet alleen: kan de positie nog verschuiven? Maar ook: kan ze nog een andere kant op?

Wie dat allemaal naast elkaar legt, ziet iets wat lijkt op een kooi in aanbouw. Niet de kooi van één partij of één leider, zoals in 1984. Eerder de kooi die Weber zag: het stalen omhulsel van de fabriek. Alleen groter, want hij reikt tot in de sollicitatie, de uitkering en de nieuwsfeed. En sneller, want hij wordt voortgestuwd door een race waarin bijna iedereen meebouwt. Ontwikkelaars, bedrijven, investeerders, overheden, gebruikers. Ook wie twijfelt, bouwt mee, omdat stilstaan voelt als achterblijven.

Het wrange is de belofte die erbij hoort. Meer, beter, vrijheid, kansen. Voor een deel komt die belofte ook uit. Wie vroeger een programmeur of een vertaler nodig had, kan nu zelf veel meer. Maar voor veel mensen voelt het tegelijk als het tegendeel: minder grip, minder tijd, minder zicht op wie er eigenlijk beslist.

Toch is het woord aanbouw belangrijk. Een kooi in aanbouw is nog niet af. De vraag is dus niet of die kooi er kan komen. Die kan er komen. De vraag is hoe we de bouw kunnen bijsturen. Liever nu dan later, want hoe verder de bouw, hoe meer het kost. Een race stuurt zichzelf niet bij. Dat lukt alleen als spelers het samen doen, of als er regels zijn die voor iedereen gelden.

Maar de eerste reactie die veel mensen voelen, is een andere. Ik wil eruit.

15. Uitstappen is een gevoel, geen antwoord

Ik wil eruit. Dat gevoel is begrijpelijk. Wie de kooi in aanbouw ziet, en de race die hem voortstuwt, voelt zich al snel klein. Dan ligt één reactie voor de hand. Doe niet meer mee. Gooi de apps weg. Gebruik geen AI. Ga offline. Stap uit de race.

Als persoonlijke keuze kan dat oprecht zijn. Als antwoord voor de samenleving werkt het niet.

Een bezorger die van de app leeft, kan niet uitstappen. Een sollicitant kan zijn brief meestal niet meer per post sturen. Een verpleegkundige kan het planningssysteem niet weigeren. Je stapt niet uit een arbeidsmarkt, een uitkeringsinstantie, een ziekenhuis of een school. Je stapt hooguit uit een scherm. En de orde loopt gewoon door, alleen zonder jou.

Wie wel kan uitstappen, heeft meestal geld, tijd of een vak dat (nog) niet door een systeem wordt aangestuurd. Wie dat niet heeft, wordt onzichtbaar op precies de plekken waar werk en rechten nu via systemen lopen. De uitgang is ongelijk verdeeld. Wie alleen "stap toch uit" adviseert, maakt dezelfde fout als "je had toch ook kunnen vertrekken". Het klinkt als vrijheid. Maar het is alleen vrijheid voor wie het zich kan veroorloven.

Er is ook een grotere versie van uitstappen. Niet als individu eruit, maar het hele systeem in één keer vervangen. Die gedachte klinkt op meer plekken door, vaak met een beroep op Marx. De onvrede erachter is echt. Maar de geschiedenis van de fabriek is hier duidelijk. Het antwoord dat de hele orde in één keer wilde omverwerpen, was het communisme. En dat bevroor zelf, met een nieuwe groep aan de goede kant van de verhouding.

Uitstappen is het dus niet. Omverwerpen ook niet. Wat dan wel? Daarvoor loont het om te kijken wat de vorige keer werkte.

16. Wat de vorige keer werkte

De correctie op de fabriek kwam niet van buiten het systeem. Ze kwam van binnenuit. En niet van één kant, maar van veel kanten tegelijk. Arbeiders die zich organiseerden in vakbonden. Ondernemers die het anders deden. Denkers en journalisten die de misstanden zichtbaar maakten. Politieke partijen van verschillende kleur, socialisten, liberalen en confessionelen, die er wetten van maakten. Kerken die zich uitspraken. Geen van hen had het hele antwoord. Samen verschoven ze de orde.

Was dat genoeg? Toen uiteindelijk wel. Maar het duurde tientallen jaren. De kooi van nu is groter en de race sneller. Correctie binnen het systeem blijft de weg. Maar ze moet harder dan de vorige keer. Harder betekent hier: sneller, beter georganiseerd, en over de landsgrenzen heen.

Ook dat laatste is niet nieuw. Al bij de fabriek liep men tegen een race aan. Een land dat zijn arbeiders beter beschermde, was bang zijn concurrentiepositie te verliezen aan landen die dat niet deden. Daarom werd in 1919 de Internationale Arbeidsorganisatie opgericht. In de oprichtingstekst staat het vrijwel letterlijk: als één land geen menselijke arbeidsomstandigheden invoert, staat dat andere landen in de weg die dat wel willen. Het antwoord op de race was toen: afspraken die voor iedereen gelden. Dat is het nu ook. De Europese AI-verordening is een begin. Internationale afspraken over de krachtigste modellen zijn nog dun.

En dan de buitenkant. Ook die speelde de vorige keer een rol, alleen een andere dan je misschien zou denken. In Duitsland voerde de conservatieve kanselier Otto von Bismarck in de jaren 1880 de eerste sociale verzekeringen in, tegen ziekte, ongevallen en ouderdom. Hij deed dat niet uit sympathie voor het socialisme, maar mede om de groeiende socialistische beweging de wind uit de zeilen te nemen. In Nederland riep Pieter Jelles Troelstra in november 1918 de revolutie uit. Die mislukte binnen een paar dagen. Maar kort daarna kwam er wel een Arbeidswet met de achturige werkdag.

Sociologen noemen dit het radicale-flankeffect. Radicale stemmen aan de buitenkant leveren zelden zelf het antwoord. Maar ze verschuiven wat als redelijk geldt. Wat eerst te ver leek te gaan, wordt een acceptabel midden. Daardoor krijgen de hervormers aan de binnenkant ruimte en energie. Ook nu zijn er zulke stemmen, van radicale critici van het kapitalisme tot activisten die de ontwikkeling van de krachtigste AI willen stilleggen. Het effect werkt overigens niet altijd zo. Als de buitenkant te ver gaat, kan ze het midden juist verdacht maken.

Dus: niet uitstappen, en niet alles omverwerpen. Wel harder opstaan binnen het systeem, met de buitenkant als aanjager. Dat vraagt mensen en organisaties die hun rol pakken. Werknemers en hun ondernemingsraden. Vakbonden. Werkgevers en ondernemers die AI anders inzetten dan de race voorschrijft. Beroepsgroepen die hun vakmanschap bewaken. Denkers, schrijvers en journalisten die zichtbaar maken wat het systeem niet laat zien. Politieke partijen en volksvertegenwoordigers. Toezichthouders en rechters.

17. Waar je kunt beginnen

Terug naar Giddens. Een structuur bestaat alleen omdat mensen haar elke dag opnieuw uitvoeren. Elke keer dat iemand afwijkt, ontstaat er een kras. Maar een kras alleen verandert niets. Een kras wordt pas een correctie als iemand hem kan benoemen. En als er een plek is waar dat benoemen gevolgen heeft.

Voor de meeste mensen liggen die plekken binnen het systeem. Het zijn er vier, en voor een deel bestaan ze al. De vraag is of ze ook gebruikt worden, en door wie. Daarnaast is er een vijfde plek, voor een kleiner deel: de buitenkant.

Eén: vraag wie het tempo bepaalt. Een formule die op dinsdag het tarief van een bezorger verandert, is geen weersverandering. Iemand heeft die formule gemaakt, en iemand kan haar veranderen. Het is een verhouding, en over verhoudingen kun je praten.

Dit is het terrein van ondernemingsraden en vakbonden, net als bij de achturige werkdag. In Nederland heeft de ondernemingsraad al instemmingsrecht op systemen die het gedrag of de prestaties van werknemers kunnen volgen. Europa heeft een richtlijn voor platformwerk aangenomen, die uiterlijk eind 2026 in Nederlandse wetgeving moet zijn omgezet. Platforms moeten dan uitleggen hoe hun systemen werk verdelen, beoordelen en belonen. En ingrijpende beslissingen, zoals het blokkeren van een account, moeten door een mens worden genomen.

Hetzelfde hoort te gelden voor het onzichtbare werk. De mensen die de hele dag plaatjes labelen zodat het model slim lijkt, horen in het arbeidsrecht. Niet in een voetnoot.

Twee: een score heeft nooit het laatste woord. Als een sollicitatie door een algoritme wordt afgewezen, moet de sollicitant bezwaar kunnen maken. Een echt bezwaar, geen schijnvertoning. Bij een mens die de uitkomst kan veranderen. Met uitleg in gewone taal over waarom het systeem zo besliste. En binnen een termijn die er nog toe doet.

Dit is het terrein van wetgevers, toezichthouders en rechters. SyRI liet zien dat dat werkt. Ook hier bestaat al iets. De Europese privacywet, de AVG, geeft mensen het recht om bij beslissingen met grote gevolgen niet alleen door een algoritme beoordeeld te worden, en om een mens te laten meekijken. De Europese AI-verordening stelt extra eisen aan systemen die worden gebruikt bij werk, onderwijs en toegang tot overheidsdiensten. Daar moet menselijk toezicht op zijn, en mensen hebben recht op uitleg.

Zonder die mogelijkheid om terug te draaien is "neutraal" alleen een nieuw woord voor wie gewonnen heeft. Dat is de les die in dit verhaal steeds terugkomt: als afwijken van het getal alleen nog telt als sabotage of fraude, is de orde bevroren.

Drie: wat niet gemeten wordt, verdient een plek. Een planningssysteem in de zorg ziet de doorlooptijd. Het ziet de vier minuten bij een bange patiënt niet. Of het ziet ze wel, maar dan als vertraging.

Dit is het terrein van beroepsgroepen, en van werkgevers en ondernemers die bewust anders kiezen. De Van Markens van nu. Beroepen kunnen dit beschermen. Met een beroepsnorm die zegt wat goed werk is, los van het getal. Met een overdracht waarin ook telt hoe het met een patiënt gaat, niet alleen wat er gedaan is. Met het recht om een advies van het systeem te negeren, zonder dat dat als productiviteitsverlies wordt gezien. Dat is geen romantiek. Het is een tweede boekhouding, naast de score.

Vier: rem de race en de lus af met afspraken, niet met goede voornemens. Een lus wordt gevaarlijk als een bedrijf zijn systeem steeds bijstelt op gedrag dat het systeem zelf heeft opgeroepen, en niemand die lus kan stoppen. Bij recursive self-improvement wordt dat nog scherper, als die lus echt op gang komt: dan stelt het systeem niet alleen zijn gedrag bij, maar helpt het ook zijn eigen opvolger bouwen. Maar de kleinere lussen draaien al, en die zijn genoeg om nu op de rem te trappen. En de race zorgt ervoor dat niemand alleen durft af te remmen.

Eén mens die bewuster leeft, minder scrolt of geen AI gebruikt, remt dat niet af. Eén bedrijf of één land ook niet. Dit is het terrein van politiek en van internationale afspraken. Bedrijven die verantwoordelijk zijn voor de uitkomsten van hun systemen. Openheid over waarop systemen worden getraind en bijgesteld. Duidelijke grenzen aan beslissingen die volledig automatisch worden genomen over werk, inkomen, grenzen en vrijheid. En afspraken die voor alle spelers in de race gelden. Een Internationale Arbeidsorganisatie voor AI is er nog niet. Regels die er zijn voordat de lus de norm wordt, niet erna.

Vijf: de buitenkant. Niet iedereen hoort binnen te werken. Een kleiner deel heeft een andere plek: aan de rand, als radicale flank. Die plek is niet minder belangrijk. Zonder druk van buiten blijft hervorming van binnenuit vaak te voorzichtig en te traag.

Wie aan de rand staat, wil soms geen betere versie van deze orde, maar een andere. Die wil is echt, en staat niet alleen in dienst van het midden. De geschiedenis van de fabriek leert alleen dat omverwerping als enige antwoord eerder tot nieuwe bevriezing leidde.

Als aanjager werkt de flank alleen onder voorwaarden. De mensen die er staan, moeten echt geloven in waar ze voor staan. Anders wordt het theater, en theater verschuift niets. Binnen het systeem moeten mensen zijn die de ruimte die zij openen ook gebruiken. En ze werkt het best zonder geweld. Onderzoek naar protestbewegingen laat zien dat geweldloze bewegingen vaker hun doel bereiken. Geweld drijft het midden juist weg.

Hier ligt een bijzondere rol voor de jonge generatie. Zij wordt nu al deels buitenspel gezet. Het instapwerk waarmee je vroeger een vak leerde, zoals eenvoudig programmeerwerk, het eerste juridische uitzoekwerk of een eerste vertaalklus, is precies het werk dat AI als eerste overneemt. Onderzoekers van Stanford zagen in de Verenigde Staten de werkgelegenheid van twintigers in beroepen die sterk aan AI zijn blootgesteld al duidelijk teruglopen. Tegelijk is dit de generatie die de systemen het best kent. Ze is ermee opgegroeid.

Dat maakt jongeren geschikt voor beide plekken. Binnen, als werknemers, ondernemers en ontwikkelaars die AI anders inzetten dan de race voorschrijft. En buiten, als de stem die zegt wat de rest nog niet durft te zeggen. Dat is vaker zo gegaan. In de jaren zestig waren het studenten die de straat op gingen. Bij het klimaat waren het scholieren, op vrijdag, in plaats van naar school.

Binnen en buiten hebben dus elk een plek en een functie. De meerderheid binnen, die het werk van correctie doet. Een kleiner deel buiten, dat de ruimte en de energie geeft om dat werk ook echt te doen.

Dat is de les van de vorige keer. Niet gedachteloos meedoen. Niet uitstappen. Niet alles in één keer omverwerpen. Wel de orde behandelen als iets wat gemaakt is. De meesten sturen haar van binnenuit bij, harder en sneller dan toen. Een kleiner deel duwt van buitenaf. Het tempo bespreekbaar. De score aanvechtbaar. Het onzichtbare werk zichtbaar. De race en de lus aan een rem.

Slot: sociologische hoop

Het doom-verhaal over AI zegt: het overkomt ons. Het is te groot, te snel, en niemand kan het nog tegenhouden.

Durkheim zou om te beginnen opmerken dat ook dat gevoel niet alleen persoonlijk is. Als heel veel mensen tegelijk voelen dat de grond onder hun voeten wegschuift, zegt dat iets over de orde. Regels en verwachtingen lopen achter op een werkelijkheid die snel verandert. Dat is anomie. Het gevoel is echt. Maar het is geen voorspelling.

De sociologie kijkt anders. Niet door te voorspellen hoe het afloopt, maar door terug te kijken. En wat ze daar ziet, is dit: orde is gemaakt. Door mensen, van mensen, zoals de reus op de voorkant van Leviathan. Ook de fabriek leek ooit een onontkoombare macht. Kinderen aan de machine, werkdagen van twaalf uur en langer, een tempo dat de band bepaalde. Toch verschoof die orde. Niet door één revolutie, maar door correctie op correctie. Van binnenuit, door veel handen tegelijk, met druk van buiten.

Die hoop heeft wel een voorwaarde. Ze rust op een orde die door mensen is gemaakt én door mensen in stand wordt gehouden. Bij de fabriek was dat zo. Hoe hard de omstandigheden ook waren, de machines draaiden alleen omdat mensen ze lieten draaien. Daarom kon een staking werken, en een wet, en een rechter. De kras waar Giddens over sprak, had overal grip.

Bij AI is dat niet meer vanzelfsprekend. Je kunt het zien als een glijdende schaal, in vier stappen.

Eén: mensen maken de orde en houden haar in stand. Dat is de fabriek. Wie de orde wil veranderen, vindt overal mensen om dat mee te doen.

Twee: mensen maken de orde, systemen voeren haar uit. Dat is algoritmisch management. De formule zet het tempo, maar mensen beslissen nog over inzet, regels en uitzetten.

Drie: systemen maken de regels, mensen stellen de doelen. Dat is recursive self-improvement zoals het nu begint. Systemen helpen hun eigen opvolger bouwen, maar mensen zitten nog in de lus.

Vier: systemen maken de orde en houden haar in stand. Er zijn nog mensen, maar ze zijn niet meer nodig om de orde te handhaven, en ze hebben niet meer de kracht om haar te breken. Dit is nog toekomst, en onderzoekers verschillen sterk over hoe reëel het is.

De sociologie kende het voorstadium al. Marx zag hoe wat mensen zelf maken, hen tegemoet treedt als een vreemde macht. De sociologen Peter Berger en Thomas Luckmann noemden het reïficatie: mensen vergeten dat ze hun wereld zelf hebben gemaakt, en ervaren haar als natuur. Tot nu toe was dat een kwestie van vergeten. Bij stap vier zou het een kwestie van niet meer kunnen worden.

Waar staan we nu? Ergens tussen twee en drie. De orde rond AI is nog mensenwerk: wie bouwt, wie financiert, wie mag inzetten, welke doelen gelden, en de chips, de energie en de datacenters waar alles op draait. Ook recursive self-improvement is vandaag een keuze van bedrijven, binnen een race die mensen voeren.

Dat is de hoop uit de titel. Geen optimisme dat het vanzelf goed komt. De Tsjechische schrijver Václav Havel maakte dat onderscheid scherp, in gesprekken die hij in 1985 en 1986 voerde als dissident, in een land waar de orde muurvast leek te zitten. Hoop is volgens hem iets anders dan optimisme. Het is niet de overtuiging dat iets goed afloopt, maar de zekerheid dat het zin heeft, hoe het ook afloopt. Het vermogen om je in te zetten voor iets omdat het goed is, niet alleen omdat het kans van slagen heeft. Dat is een houding, en die hangt niet af van de afloop.

Sociologische hoop geeft die houding grond onder de voeten. Niet de zekerheid dat het goed afloopt, maar het weten dat een gemaakte orde eerder is verschoven, juist op de punten waar ze bevroren leek. De achturige werkdag kwam er, na jaren van organisatie, wetgeving en druk van buiten. SyRI werd door de rechter stilgelegd. En de orde waarin Havel zelf leefde, bevroren als geen ander, kwam in 1989 in beweging. Geen van die verschuivingen ging vanzelf. Alle drie waren ze mensenwerk.

De kooi is in aanbouw. De race duwt. Maar wat door mensen is gemaakt, kan door mensen worden veranderd. Ook als de kooi af is, zolang mensen haar nog in stand houden. Wel geldt: hoe verder de bouw, hoe meer het kost om bij te sturen. En bij stap vier kan er een punt komen waarna het niet meer kan. Daarom is het venster nu, nu mensen nog in de lus zitten. De vraag is dus niet of het kan. De vraag is of we het doen, en wanneer. En of je dat van binnenuit doet, of van buitenaf.


Bronnen

  • Autoriteit Persoonsgegevens (2020). Belastingdienst/Toeslagen: de verwerking van de nationaliteit van aanvragers van kinderopvangtoeslag.
  • Berger, P.L. & Luckmann, T. (1966). The Social Construction of Reality.
  • Brynjolfsson, E., Chandar, B. & Chen, R. (2025). Canaries in the Coal Mine? Six Facts about the Recent Employment Effects of Artificial Intelligence. Stanford Digital Economy Lab.
  • Chenoweth, E. & Stephan, M.J. (2011). Why Civil Resistance Works: The Strategic Logic of Nonviolent Conflict.
  • Comte, A. (1830–1842). Cours de philosophie positive.
  • Djilas, M. (1957). The New Class: An Analysis of the Communist System.
  • Dikötter, F. (2010). Mao's Great Famine.
  • Dubal, V. (2023). On Algorithmic Wage Discrimination. Columbia Law Review, 123(7).
  • Durkheim, É. (1893). De la division du travail social.
  • Durkheim, É. (1897). Le Suicide. Étude de sociologie.
  • Favaro, M. & Clark, J. (2026). When AI builds itself: Our progress toward recursive self-improvement and its implications. Anthropic.
  • Giddens, A. (1976). New Rules of Sociological Method.
  • Giddens, A. (1984). The Constitution of Society.
  • Good, I.J. (1965). Speculations Concerning the First Ultraintelligent Machine. Advances in Computers, 6.
  • Goodhart, C. (1975). Problems of monetary management: the U.K. experience. Papers in Monetary Economics, Reserve Bank of Australia.
  • Haines, H.H. (1988). Black Radicals and the Civil Rights Mainstream, 1954–1970.
  • Havel, V. (1990). Disturbing the Peace.
  • Hobbes, T. (1651). Leviathan.
  • Huxley, A. (1932). Brave New World.
  • IBM Think (2026). Why recursive self-improvement suddenly became a serious question.
  • Internationale Arbeidsorganisatie (1919). Constitution of the International Labour Organisation, preambule.
  • Kellogg, K., Valentine, M. & Christin, A. (2020). Algorithms at Work. Academy of Management Annals, 14(1).
  • Keynes, J.M. (1930). Economic Possibilities for our Grandchildren. In: Essays in Persuasion (1931).
  • Kuyper, A. (1891). Het sociale vraagstuk en de christelijke religie.
  • Lang, F. (regie) (1927). Metropolis.
  • Lenin, V.I. (1902). Wat te doen?
  • Leo XIII (1891). Rerum Novarum.
  • Marx, K. (1844, gepubliceerd 1932). Economisch-filosofische manuscripten.
  • Marx, K. & Engels, F. (1848). Manifest van de Communistische Partij.
  • Marx, K. (1867). Das Kapital, deel 1.
  • Merton, R.K. (1948). The Self-Fulfilling Prophecy. The Antioch Review, 8(2).
  • Michels, R. (1911). Zur Soziologie des Parteiwesens in der modernen Demokratie.
  • Mills, C.W. (1959). The Sociological Imagination.
  • Newsweek (2026, september). Trump Is Afraid China Will Win the AI Race. What If China Can't?
  • OpenAI (2026, februari). Aankondiging van GPT-5.3-Codex.
  • Orwell, G. (1945). Animal Farm.
  • Orwell, G. (1946). Freedom and Happiness [bespreking van Wij]. Tribune.
  • Orwell, G. (1949). Nineteen Eighty-Four.
  • Parlementaire ondervragingscommissie Kinderopvangtoeslag (2020). Ongekend onrecht.
  • Perdomo, J., Zrnic, T., Mendler-Dünner, C. & Hardt, M. (2020). Performative Prediction. ICML.
  • Rechtbank Den Haag, 5 februari 2020, ECLI:NL:RBDHA:2020:865 (SyRI).
  • Shumailov, I. et al. (2024). AI models collapse when trained on recursively generated data. Nature, 631.
  • Smith, A. (1776). An Inquiry into the Nature and Causes of the Wealth of Nations, boek I hfst. 1 en boek V.
  • Strathern, M. (1997). 'Improving ratings': audit in the British University system. European Review, 5(3).
  • Taylor, F.W. (1911). The Principles of Scientific Management.
  • The Pavlovic Today (2026, september). 'Whoever Wins SI Is Going to Win': Inside Trump's Super Intelligence Lunch.
  • Weber, M. (1904–1905). Die protestantische Ethik und der Geist des Kapitalismus.
  • Zamjatin, J. (1924). Wij.
  • Zhuge, M. et al. (2026). ICLR 2026 Workshop on AI with Recursive Self-Improvement.
  • Richtlijn (EU) 2024/2831 betreffende de verbetering van de arbeidsvoorwaarden bij platformwerk.
  • Verordening (EU) 2016/679 (AVG), artikel 22.
  • Verordening (EU) 2024/1689 (AI-verordening).
  • Wet op de ondernemingsraden, artikel 27 lid 1 sub l.

Deze blog is tot stand gekomen met hulp van Claude (Anthropic) en Grok (xAI) voor onderzoek en redactie. Notebook gebruikt voor de slides. De standpunten en interpretaties zijn van mij.

Lees meer