Informatie in beweging
Wat ik in 1996 zag, en wat ik miste

Stel je voor: het is 1996. Er is geen Google. Geen smartphone. Geen LinkedIn. Geen Facebook, geen YouTube, geen WhatsApp — die bestaan nog niet eens als idee. Het web bestaat, maar het stelt weinig voor: wereldwijd zijn er iets meer dan 100.000 websites, waarvan de meeste niet meer zijn dan een pagina platte tekst met misschien een afbeelding die minuten nodig heeft om te laden.
De browser heet Netscape Navigator. Microsoft heeft net IE 3 uitgebracht, maar dat gebruikt vrijwel niemand. Je verbindt via een inbelmodem met een snelheid van 28.8 Kbps — het geluid ken je nog wel, dat piepende en krassende gekrijs als je verbinding maakt. Op die snelheid duurt het downloaden van één liedje minstens een halfuur, op een goede dag. Een foto sturen per e-mail is iets wat je twee keer overdenkt.
Hotmail — de eerste webmail voor gewone mensen — bestaat op het moment dat ik mijn scriptie schrijf nog niet. Die lanceert pas in júli 1996. Sociale media zijn een onbekend concept. De Digitale Stad Amsterdam is er, als vooruitgeschoven post: gratis inbellen, e-mail via het programma Pine, een soort digitaal buurtplein voor early adopters. Maar de gemiddelde Nederlander heeft er nooit van gehoord.
De digitale snelweg bestaat als term. Als infrastructuur is hij er nauwelijks.

In datzelfde jaar schrijft een vierentwintigjarige student aan de HES Amsterdam een scriptie met als centrale vraag: Is IT van strategisch belang voor financiële instellingen?
Die student ben ik.
Dertig jaar later lees ik die scriptie terug. En het antwoord is genuanceerd. Veel van wat ik signaleerde klopt — de richting was goed, de strategische conclusies staan nog overeind. Maar ik miste ook iets groots. Iets wat midden in mijn eigen analyse lag en wat ik niet herkende voor wat het was: het internet. Een 'Question Mark' in mijn BCG-matrix, netjes ingekaderd naast negentien andere IT-trends. Niet meer, niet minder.
Dat zegt iets over hoe moeilijk vooruitkijken is — zelfs als je er middenin zit. En precies dat maakt dit verhaal ook relevant voor vandaag, voor de AI-disruptie die we nu meemaken.
De lens van Bastiat

Frédéric Bastiat, de 19e-eeuwse Franse econoom, schreef in 1850 een essay dat nog altijd snijdt: Ce qu'on voit et ce qu'on ne voit pas — wat men ziet, en wat men niet ziet. Zijn argument was eenvoudig en vernietigend: een slechte econoom kijkt alleen naar de zichtbare, directe gevolgen van een ontwikkeling. Een goede econoom kijkt ook naar wat er nog niet zichtbaar is — de indirecte gevolgen, de nieuwe mogelijkheden, de banen die nog niet bestaan, de producten die nog niet bedacht zijn.
Bastiat schreef dit als reactie op protectionisme en economisch bijgeloof. Maar zijn principe reikt veel verder. Het is een kijkglas voor elk tijdperk van grote verandering.
Wie in 2026 zegt dat het in 1996 toch duidelijk was dat IT het bankwezen volledig zou transformeren — heeft gelijk. Maar hij kijkt vanuit de toekomst naar het verleden. Wat nu zichtbaar is, was toen onzichtbaar. Ik wist in 1996 niet dat de 'virtuele bank' zou uitgroeien tot mobile-first bankieren dat fysieke kantoren vrijwel overbodig maakt. Ik wist niet dat data warehousing de voorloper zou zijn van Big Data, Business Intelligence en hypergepersonaliseerde dienstverlening. Ik wist niet dat de Wet van Moore lang genoeg zou standhouden om de rekenkracht te leveren voor de AI-systemen die ik nu dagelijks gebruik.
Ik zag een beweging. Ik zag een richting. Maar de omvang, de snelheid, de consequenties — en zeker niet welke trend de rest zou absorberen — dat was onzichtbaar.
En dat is precies het eerlijke verhaal. Dat is ook de brug naar nu.
De scriptie: wat er stond

Informatie in beweging telt veertig pagina's en is opgebouwd in drie delen.
Het eerste deel legt de begripsmatige en historische basis. IT wordt gedefinieerd als het geheel van apparatuur, programmatuur en communicatiefaciliteiten — inclusief de kennis om deze in te zetten. De computergeschiedenis wordt beschreven in vier generaties: van de elektronenbuis van de jaren vijftig via transistor en geïntegreerde schakeling naar de microprocessor en de personal computer. Maar de rode draad is de evolutie in functie: de computer als rekenmachine, daarna als geheugenmachine, daarna als werkplekmachine, en ten slotte als kennis- en communicatiemachine. Die laatste stap — van standalone instrument naar communicatieknooppunt — is de eigenlijke kanteling.
De scriptie signaleert ook wat er maatschappelijk in beweging is. De verschuiving van een aanbiedersmarkt naar een kopersmarkt. De consument die macht krijgt. De noodzaak voor financiële instellingen om van intern-administratief naar extern-strategisch te denken. IT is niet langer een kostenpost of een ondersteunend hulpmiddel — het wordt een concurrentiewapen.
Het tweede deel analyseert concrete trends aan de hand van het 4R-model van KPMG Management Consultants: Rumours, Research, Resource, Ready. Elke IT-trend wordt gescoord op deze vier dimensies en geplaatst in een Boston Consulting Group-matrix. De resultaten zijn verrassend helder. E-mail en EDI (Electronic Data Interchange) worden geclassificeerd als 'Cash Cows' — gevestigde technologie met bewezen rendement. Multimedia, Workflow Management en Client/Server zijn 'Stars' — hoge groeipotentie, groot rendement. Data Warehouses en Virtual Reality zitten in het 'Question Mark'-kwadrant: veel onderzoek, veel gepraat, maar nog weinig bewezen implementatie op grote schaal.

In dit deel komen ook de jaarverslagen van 1995 aan bod — van ING, Rabobank, Achmea, Levob en Stad Rotterdam Verzekeringen. Ze laten zien dat de sector IT destijds al als topprioriteit beschouwde. Rabobank spreekt over IT als motor voor bancaire dienstverlening en benadrukt de samensmelting van informatietechnologie en telecommunicatie als voornaamste drager van vooruitgang. ING positioneert IT als essentieel voor het terugdringen van bedrijfskosten. Stad Rotterdam Verzekeringen spreekt over investeringen van tientallen miljoenen guldens en werkt samen met concurrenten om de kosten te delen.
Het derde deel blikt vooruit. De drie strategische pijlers die worden benoemd: kostenbeheersing, serviceverbetering en productinnovatie. Informatie wordt omschreven als de vierde productiefactor — naast kapitaal, arbeid en grondstoffen. En dan staat er een zin in de conclusie die teruggelezen klinkt als een axioma: zakelijk overleven zonder IT is niet meer mogelijk.
De scriptie sluit af met een extrapolatie van de Wet van Moore. Als de verwerkingskracht van computers jaarlijks verdubbelt, dan bezit een computer in 2040 de rekenkracht en geheugencapaciteit van tienduizend menselijke breinen. Toen ik dat schreef, klonk het als sciencefiction. Nu kijk ik naar de GPU-clusters van NVIDIA en de large language models die daarop draaien, en ik denk: het was een onderschatting.

Terugblik: wat klopte
Kijkend terug met dertig jaar extra kennis valt op hoeveel er correct was — en hoe correct.
De virtuele bank is realiteit geworden, en meer dan dat. Fysieke kantoren zijn gemarginaliseerd. Mobile-first bankieren is de absolute standaard. Waar de scriptie nog spreekt over 'thuisbankieren via de telefoonlijn', is de werkelijkheid van nu dat de telefoonlijn allang vervangen is door een app die meer functies heeft dan een volledige bankfiliaal van toen.
Data Warehousing groeide uit tot wat we nu kennen als Big Data, Business Intelligence en predictive analytics. Het ABN AMRO-voorbeeld in de scriptie — kasstromen analyseren per vestiging om kasgeldvoorraden te optimaliseren, met een kostenbesparing tot 40 procent — is een vroege variant van wat fintech-bedrijven nu volledig geautomatiseerd en real-time doen.
E-mail, in de scriptie al geclassificeerd als Cash Cow, is inderdaad de fundamentele communicatie-infrastructuur van de mondiale economie geworden. EDI — de gestructureerde elektronische uitwisseling van transactiedata — is de directe voorloper van de API-economie.
En de Wet van Moore heeft verrassend lang standgehouden. De exponentiële groei die de scriptie beschreef als de motor achter alle IT-trends, heeft het conceptuele fundament gelegd voor de AI-doorbraak van de afgelopen jaren.

Wat ik niet zag — en waarom dat er ook toe doet
Maar er was ook veel wat ik niet zag. En dat is minstens zo interessant.
Ik zag het internet als een 'Question Mark' — potentieel interessant, maar de echte implementatie op grote schaal was er nog niet. En eerlijk gezegd: in het licht van wat ik in de opening beschreef, was dat geen onredelijke conclusie. Wie in die context had beweerd dat het internet binnen tien jaar de backbone van de mondiale economie zou zijn — en banken, winkels, media en communicatie fundamenteel zou herschrijven — had geklonken als iemand die te veel sciencefiction las.
Maar juist dat maakt het zo leerzaam. Ik zag het niet. Ik zag het als een trend naast twintig anderen. Dat het alle andere trends zou absorberen, en de context zou worden waarbinnen alles zich zou afspelen — dat was onzichtbaar. Voor mij. En voor vrijwel iedereen.
Ik zag de verschuiving naar de kopersmarkt, maar ik kon niet voorzien hoe radicaal die verschuiving zou worden. Dat consumenten zelf real-time toegang zouden hebben tot alle informatie, dat platforms als vergelijkingssites het verdienmodel van de tussenpersoon volledig zouden ontmantelen — dat lag buiten mijn gezichtsveld.
En ik zag niet wat de menselijke kant van de disruptie zou betekenen. De scriptie gaat over strategisch belang voor instellingen. Ze gaat nauwelijks over de mensen die in die instellingen werkten, en wat er met hun werk zou gebeuren. De duizenden baliemedewerkers. De hypotheekadviseurs. De kassiers.
Bastiat zou zeggen: ik zag wat er zou komen voor de instelling. Ik zag niet wat er onzichtbaar bleef voor de individu in de transitie.

De brug naar nu
Er is een reden waarom ik in de IT ben gegaan. Die scriptie was mede de aanleiding. Ik was gefascineerd door wat er in beweging was — door de spanning tussen de trage organisaties die ik om me heen zag en de versnelling die ik in de data las. Eind jaren negentig en begin jaren tweeduizend kwamen de golven dan ook hard binnen: dotcom, internet banking, Y2K, de crash van 2001, de opkomst van het mobiele web, de sociale media. Elke golf groter dan de vorige. Elke keer dezelfde spanning tussen wat iedereen kon zien aankomen en wat pas achteraf begrijpelijk was.
We staan nu opnieuw voor zo'n moment. Maar groter.

AI is geen nieuwe IT-trend in een BCG-matrix. AI is geen 'Question Mark' naast twintig andere ontwikkelingen. AI is wat het internet was voor de informatietechnologie van 1996 — een context die alle andere trends absorbeert en de spelregels fundamenteel herschrijft.

n hier geldt Bastiat's les opnieuw, maar dan in volle kracht.
We zien de banen die verdwijnen. We zien de taken die worden overgenomen. We zien de junior developer die minder werk heeft, de klantenservicemedewerker wiens functie onder druk staat, de analist wiens output in minuten gegenereerd kan worden.

Wat we niet zien — wat per definitie onzichtbaar is — zijn de nieuwe rollen, de nieuwe producten, de nieuwe samenwerkingsvormen die ontstaan. Net zoals ik in 1996 niet kon zien wat de app-economy zou worden, kunnen we nu niet zien wat de AI-economy gaat voortbrengen.

Dat is geen naïef optimisme. Het is een epistemisch feit. Het onzichtbare bestaat nog niet, en precies daarom is het onzichtbaar.
Maar er is een verschil met 1996. De snelheid is anders. De compressie van de tijdlijn is anders. Wat in 1996 tien jaar nodig had om te landen, duurt nu misschien twee jaar. De Wet van Moore heeft zijn werk gedaan. We zitten in de rechter staart van de curve.
En dat vraagt iets. Het vraagt dat je vooruit durft te kijken zonder de illusie te koesteren dat je alles kunt zien. Het vraagt dat je de beweging herkent, de richting inschat, en beweegt — ook als de bestemming onzichtbaar is. Niet meegaan in de doom-narratieven die alleen het zichtbare verlies tellen. Niet wegglijden in naïef techno-optimisme dat het ongemak ontkent.
Bastiat denken. Positief en nuchter tegelijk. Zien wat er is. En ruimte laten voor wat er nog niet is.

Wat de scriptie me leerde
Die vierentwintigjarige student wist niet wat hij wist. Hij zag een beweging, benoemde een richting, en stelde de juiste vraag. De juiste vraag in 1996 was: is IT van strategisch belang voor financiële instellingen? Het antwoord was ja — maar de volle consequentie van dat ja was onzichtbaar.

De juiste vraag in 2026 is iets anders: hoe verhouden mensen zich tot AI, en welk vermogen is nodig om die verhouding productief te maken? Dat is de vraag die mij nu bezighoudt — in mijn blog, in mijn werk bij Sogyo, en in alles wat ik de komende jaren wil bijdragen.
De scriptie begint met een Sun Tzu-quote: Strategie is de grond van leven en dood, het pad van overleven en vernietiging — het is onmisbaar haar te onderzoeken.
Die zin klopt nog steeds. Alleen gaat het nu niet over IT en financiële instellingen. Het gaat over mensen en AI.
En dat pad van overleven en vernietiging — dat gaat uiteindelijk niet over technologie. Het gaat over het vermogen van mensen om te blijven orkesteren in een wereld die sneller verandert dan ooit.

Dit artikel is georkestreerd samen met Claude (Anthropic), versie Sonnet 4.6 — als bewust voorbeeld van de orkestratie die ik hier beschrijf. De visuals zijn gegenereerd met NotebookLM (Google), op basis van de originele scriptie.